is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 72, 1922, no 427-432, 1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog ’n woordje over m’n volk. ’k Heb weer ’n nieuwen knecht aan moeten schaffen en die kerel bevalt me uitmuntend.. tot nu toe. ’t Is maar de vraag of het duren zal ! Ze zeggen dat 'n Chinees voor de bank evenwel waard Is als twee joden en dat je, als je ’n Chinees één keer vertrouwt, al twee keer bedrogen bent. ’t Is misschien ’n beetje overdreven, maar waèr is het toch. Daar heb je de historie met m’n vorigen knecht. Voor twee jaar had ik het geluk, anderhalf uur hier vandaan ’n familie te doopen van veertien personen. Beste menschen, braaf, godvruchtig, gedienstig, eerlijk, kortom alles wat maar goed is. Toen ik dan ook 'n nieuwen knecht noodig had, begaf ik mij tot hen en de oude vader wees mij z’n twintigjarigen zoon aan, als iemand, waarop ik mij volkomen kon verlaten. Wat ’n geluk voor me, zoo’n knecht. De jongen, dien ik in den doop den naam van Jozef gegeven had, was zoo gedienstig, werkzaam en plichtgetrouw, dat ik hem al m’n hebben en houden toevertrouwd zou hebben. Toen Ik hem echter ’n». maand of vier in mijn dienst had, viel het me op, dat de rekeningen wel wat hoog waren. M’n vertrouwen was weg, ik begon m’n trouwen bediende na te gaan en stond tegenover ’n onrechtvaardigen rentmeester. Hij kocht tachtig pond maïs en schreef honderd, hij bestelde vijftig pond rijst en schreef tachtig ; hij ging de rekeningen betalen en stak de rest heel gemoedelijk in z’n zak. En dat alles zonder dat z’n geweten In opstand scheen te komen, want hij liep rond met ’n tronie zoo eerlijk als ’t onschuldigste Communiekind. Natuurlijk werd m’n ezeltje gezadeld, ik zocht z'n papa op en deelde hem mee, dat Jozef z’n congé kreeg met de reden erbij. De brave man was er heelemaal van overstuur en zou hem geweldig de les lezen. Den derden naeht, nadat Jozef m’n huis verlaten had, ontwaakte ik van ’t gedruisch boven me. Nu zijn de Chineesche ratten wel geen stille jongens, maar zoo’n leven hadden ze op m’n zolder nog nooit gemaakt. Ik deed m’n oogen open en keek verwonderd door de reten van m'n zoldering. De maan kon er wel helder naar binnen schijnen, maar zoo licht had ze ’t nog nooit