is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 72, 1922, no 427-432, 1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

’t niet gebeurd zijn. Dan had ze heel gewoon hij Marie kunnen wisselen. Neen ’t was ’n akelig geldstuk, zoo’n flap ! En klein Grietje verwenschte alle halve stuiverstukken, die er op de wereld waren.

Maar het stemmetje dat daarbinnen riep : „Eigen schuld ! Heelemaal eigen schuld !” wou maar niet zwijgen. Vooral onder de mooie preek kreeg ze ’t erg benauwd, zoo erg, dat ze wel had kunnen schreien van verdriet. Toen maakte ze ook ’t vaste voornemen, de suikerhoontjes niet op te eten, om boete te doen. Die zou ze stilletjes weggooien, zoodra ze buiten de kerk was.

En zoo gebeurde ’t ook.

Na de Mis vonden ’n paar meisjes op het plein voor de kerk enkele mooie suikerhoontjes. Ze raapten ze op en begonnen ze aanstonds op te snoepen. Ze dachten, dat iemand ze daar verloren had, maar zeker hadden ze er geen gedachte op, dat ze van ’t arme Grietje kwamen, dat nooit snoep had.

In de school hield de zuster dien dag vertelseluurtje en ze vertelde over de zwarte kindjes en over de kindsheid. Ze vertelde van ’n meisje, dat altijd snoepte en haar mondje nooit iets weigeren kon. Toen het kindsheid was, had ze allebei haar centen versnoept en niets geofferd. En de zuster vertelde ’t zoo, dat je voelen moest, hoe leelijk dat meisje gedaan had.

~Dat is voor mij,” dacht Grietje voortdurend en ze kromp ineen van angst.

Daar kwam ’n vingertje omhoog : „Ja Zuster, en van morgen lag er snoep vóór de kerk.”

~Zoo,” zei de zuster. „Maar ’t kan wel zijn, dat die snoep is van ’n meisje, dat ’n snoepcent mee heeft gekregen. Zorgt maar, dat jullie eerlijke kindertjes blijft. Wat zou ik ’t erg vinden, als ik van één van de kindertjes hier in ons vierde klas moest denken, dat ze niet eerlijk was. Dat zou toch verschrikkelijk jammer zijn, hé !”

~Ja, zuster,” riepen allen behalve één. Die één was arme Grietje. Ellendig zat ze daar te kijken, met ’n prop verdriet in