is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 74, 1924, no 439-444, 1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„drijft de eenen aan, om zich met nog grooteren ijver aan het verdienstelijke werk der H. Kindsheid te wijden, en de anderen, de kinderen, om hun geest en jeugdig hart altijd meer open te stellen voor het verlangen, om het geloof uit te breiden in zooverre hun krachten reiken.

„Deze kinderen, H. Vader, ingeschreven als leden der H. Kindsheid, zijn er fier op, dat zij naar de mate hunner krachten mogen medewerken aan het heilig Apostolaat en beroemen er zich op, zich te kunnen betitelen als redders van een zoo groot getal hunner broertjes en zusjes, die nog zuchten in de duisternissen des doods.”

De Kardinaal eindigde met aan den Paus zijn zegen te vragen niet enkel voor de aanwezige kinderen; maar ook voor den Centralen Raad van het Genootschap, alsmede voor de Nationale en Diocesane Besturen, voor degenen, die in de verre Missiën met zulk een heldhaftige zelfopoffering aan de H. Kindsheid werken, en voor de kinderen, die vrij gekocht zijn of zullen worden. Men ziet het, de Eerbiedwaardige grijze Kardinaal vergat niemand.

De H. Vader liet in zijn antwoord zijn hart spreken. Hij gaf lucht aan zijne vreugde, die Hij gevoelde bij het zien van het schouwspel, dat Hij onder de oogen had, en aan zijn erkentelijkheid voor de Zelateurs en Zelatricen, die er alles voor over hebben om hunne liefde en hun ijver over te storten in de harten der kinderen, die zoo dierbaar zijn aan het H. Hart van Jezus.

„Wij hebben ze gezien, Wij zijn door hunne rijen gegaan, Wij hebben ze gezegend, juist, zoo schijnt het Ons loe, als Onze Heer Jezus Christus, wiens plaats, ofschoon onwaardig Wij bekleeden, de kinderen zegende, die zich rondom Hem verdrongen. Wij hebben geluisterd naar hun groeten en toejuichingen en die aanvaard met dezelfde hartelijke genegenheid, waarmede Hij hun toejuichingen aanvaardde op de wegen van het H. Land en de straten van Jerusalem.

„Wij danken u, allerdierbaarste zonen en dochteren, voor