is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 78, 1928, no 465, 1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

’t wel aannemen, na heel lang tegenstribbelen. En mag je zooveel eten en drinken als je wilt. Maar onder ’t eten niet praten boor! Dat is beelemaal verkeerd.

Als je afscheid neemt, zeg’ je: „Ti a kapo,” dat is: we hebben elkander gezien, en dan zegt de ander ook: „Ti a kapo.” Of je moogt ook zeggen: „Ik ga.” En dan zegt je vriend: „Je gaat.”

Je moet oppassen, dat je ze niet kwaad maakt. Want schelden dat kunnen ze. Dan roepen ze: „De Donder» god verpletter je! bij ruk je de ingewanden uit ’t lijf; bij breekt je ’t hoofd als een kokosnoot;” enz. En je moogt blij zijn als je er zoo afkomt!

BENTO.

De kleine Bento was twaalf jaar. Heel alleen was ie naar den missionaris gekomen en bad gevraagd om op den missiepost te mogen werken.

Dat mocht ie van den Pater.

Bento deed flink z’n best. De Pater was tevreden over hem. Toen Bento twee dagen op de missie was, zat de Pater ’s avonds ’n keer buiten z’n hut. In de verte kwam een man aan. Hij ging recht naar den Pater.

„Pater, ik kom u waarschuwen.”

„Waarom?” vroeg de Pater.

„U hebt eergisteren ’n jongen aangenomen op de missie, maar pas op, want ’t is een dief. Jaag hem maar gauw weg. Hij komt zeker stelen.”

„Ik zal eens goed op hem letten,” zei de Pater.

„Nee, stuur hem maar weg. Hij bedriegt u zeker.