is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 80, 1930, no 475-480, 1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denk je, dat was mooi! Nu kon Edmond zich eens flink op dien valsehen Moenie wreken. Als ik in zijn plaats was, wat zou ik er hard op slaan. Moenie gedroeg zich heel gekten; hij voelde zelf, dat hij de straf dubbel en dik verdiend had, en ging al voorover staan om de stokslagen op z’n broek te laten neerkomen. De pater stuurde een jongen naar binnen om den stok te gaan halen en reikte hem toen aan Edmond over. Maar Edmond stak er zijn hand niet naar uit en zei: „Och pater, scheld Moenie de straf kwijt; ik weet zeker, dat hij het nooit meer doen zal.” „Goed,” zei de pater, „omdat jij het vraagt. Geef dan mekaar de hand ten teeken, dat alles weer vergeven en vergeten is en dat je weer goede vriendjes met mekaar wilt zijn.” Vroolijk trad Edmond nu op Moenie toe en zei: „Moenie, je bent van de vijf stoks slagen af. Geef me je hand, dan is alles weer goed.” Je kunt begrijpen, of Moenie blij was! En al de andere jongens waren ook Wij, omdat die ruziegeschiedenis zoo mooi was af* geloopen.

Je denkt missehien, dat de pater wel erg verwonderd zal gestaan hebben over het verzoek van Edmond. Neen, daar stond hij niets verwonderd over. Dat vond hij heel gewoon; ’t was iets, dat heel dikwijls onder z’n zwartjes voorkwam. Hij had het hun immers zoo geleerd. Toch wou hij wel eens precies weten, wat Edmond bij zich zelf gedacht had, en daarom vroeg hij hem ’s anderendaags: „Zeg eens, Edmond, waarom wou je Moenie gisteren geen vijf stokslagen geven? Ik had er hem toe veroordeeld en hij had ze volop verdiend.” Toen gaf het negertje dit mooie antwoord: „Maar pater, we bidden in ’t Onze Vader eiken dag: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren. Daarom wou ik Moenie graag vergeven. Dan zal God het mij ook vergeven, als ik eens ooit een zonde doe.” Wat dunkt u? Zoo’n kleine jongen nog maar en al zoo’n groot christen!