is toegevoegd aan uw favorieten.

Annalen van het Genootschap der Heilige Kindschheid tot het doopen en vrijkoopen van de ongeloovige kinderen in Sina en in andere afgodische landen, jrg 80, 1930, no 475-480, 1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2e Een woordje voor de zelatricen. Zij moesten zich beijveren om de maandelijksche contributie op te halen. Wanneer zij eens tevergeefs aanklopten den moed niet opgeven, maar beleefd en vriendelijken blijven en nog eens terug gaan.

3e Een woordje voor de kinderen, dat ze veel moesten bidden voor die arme heidenkindertjes en allemaal helpen om de Kinds» heid te steunen.

Toen werd door den E. Heer Kapelaan de kinderzegen gegeven, waarbij ook heel veel kleine kindertjes tegenwoordig waren. Daarna sprak de Eerw. Heer Kapelaan nog een kort woord van dank voor de milde bijdragen, die voor de missie zoo hard noodig zijn, en hoopte dat deze kindsheiddag, die we zoo eenvoudig maar mooi gevierd hebben veel mocht bijdragen tot bloei van het genootschap in onze parochie. Dan werd door één der meisjes de Toewijding a. h. Kindje Jezus gebeden, dat midden in de kerk was opgesteld, mooi versierd met bloemen en kaarsen. Ten slotte zongen de bruidjes nog een mooi Kindsheidliedje rondom het Kindje Jezus geschaard.

Hiermede werd ons jaarlijksch Kindsheidfeest geëindigd en gingen wij allen zeer voldaan huiswaarts.

De schaalcolleete bracht bijna ƒ 40 op waarvoor een slaafje wordt vrijgekocht, gedoopt: Joannes Petrus.

Mina Habraken, 12 jaar.

TER HERINNERING AAN FONSKE LOUWERS.

9 Juni 1930, 2e Pinksterdag. Hoog staat de zon aan den Hemel. Het is zeer warm, doch buitengewoon mooi weer voor den fleurigen kindsheidoptocht welke zich door de straten van Mierlo beweegt. De kinderen zijn opgetogen. Dagen van te voren hoorde men hen nergens anders over spreken dan over dezen Missie»optocht.

Ook Fonske, als H. Antonius, met een echte kruin geschoren, neemt er aan deel; doch hij kan het niet tot het einde volhouden. Hij is ziek geworden. Thuis gekomen wordt de dokter gehaald en uit voorzorg wordt hij gebiecht.

Des avonds toen buiten alles doodstil was, knielden de huis» genooten neder en baden voor zijn herstel. En hun gebed zou, naar het scheen, verhoord worden: den volgenden dag leek Fonske beter.

Maar om half twee in den nacht van Dinsdag op Woensdag, ter» wijl een zijner groote broers bij hem waakt, zucht hij: „Ik heb zoo’n pijn, hier”, terwijl hij op zijn hartje wijst. Op eens vliegt hij