Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en lezeressen in een krotje te brengen; toch vrees ik, dat zij zich, ook in dit groote huis, niet op hun gemak gullen gevoelen. Maar zoover is het nog niet. Wij zijn er nog niet in. Het huis staat op palen, zooals alle huizen hier, onze pastorie niet uitgezonderd; de pastorie is in ’t bezit van een trap, maar de andere huizen niet. Tegen het huis staat echter een soort van bank bij vele slechts een bamboe en met twee flinke stappen kan men binnen zijn; maar het dak is laag en eng de opening die als deur dienst doet. Opgepast dus. Er behoort een zekere vaardigheid toe, ’t huis binnen te wippen. Ik had al meermalen gelegenheid gehad, mij in deze soort van sport te oefenen, zoodat ik weldra zonder ongelukken binnen kwam. Men zegt van de joden, dat zij niet over het ijs gaan of er moeten balken onder liggen; diezelfde voorzichtigheid moeten wij in acht nemen liij het betreden van een inlandschen vloer. Op de balken, de dikke bamboes, kunnen wij staan, maar daartusschen zou de vloer wel eens kunnen toonen, dat hij op ons gewicht niet berekend is.

Daar sta ik nu in ’t half donker. Ik vraag, waar de zieke is. Ik kijk in de richting, vanwaar het geluid komt, en bemerk, dat ik in een tweede vertrek moet wezen. Nu sta ik bij de zieke. Ik begin iets te onderscheiden: de zieke schijnt op den grond te zitten, leunend tegen den wand ; maar dat kan niet, dan moet het een reuzengestalte zijn; wat ik meen te zien, is meer dan twee meter lang. Ik begin met eenige vragen te stellen, in de hoop, dat nnjne oogen zich ondertu.sschen aan de duisternis zullen gewennen. Ik verneem, dat de zieke nog kan biechten – dat komt meer voor, doch lang niet altijd. Ik doe het vertrek ontruimen en zie nu van alle kanten menschelijke gedaanten oprijzen, waar ik niets dan dikke duisternis vermoedde. De reusachtige gestalte lost zich op in drie personen, de een op den anderen. Nu bevind ik mij met de zieke alleen: de biecht kan beginnen. Na afloop laat ik de menschen weer binnenkomen, om bij he;t toedienen der H. Olie tegenwoordig te zijn.

Ondertusschen heb ik gelegenheid gehad, alles eens goed op te nemen. Dat was niet moeilijk, luistert slechts: beneden

Sluiten