Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Maar Herman», zei ik, «nu zijn we niet zoo ver meer van huis. Wat zal je brave moeder wel moeten denken als ze hoort dat je liever door een inlander wilt verpleegd worden dan door jé eigen moeder? Doe dat niet; je moeder zou het besterven!” Ik wist uit vorige gesprekken dat hij dolveel van zijn ouders hield. Zijn ouders en zijn meisje had ik den braven jongen man want hij was werkelijk een godsdienstig jongmensch herhaalde malen in de gedachten gebracht. En zoo had ik ook nu weder succes, «’tls goed, pastoor, ik zal het niet doen. Als we Port-Said maar eenmaal voorbij zijn, ben ik niet bang meer.»

Den 12den Mei waren we Port-Said voorbij 1 Ik meende het reeds gewonnen te hebben. De zee was zeer woelig en weinigen verschenen boven. Ik praatte nog dikwijls dien dag met mijn goeden vriend Herman en ’s avonds gaf hij mij als altijd een fikschen handdruk met zijn gewoon; «Dank U wel, goede pastoor, voor alles wat U voor mij gedaan hebt.”

Daags daarna, 13 Mei, was de zee nog woester. Om half 7 in den ochtend was ik de eenige, die zich op dek vertoonde. Ik bad mijn brevier, midscheeps, beschut tegen den feilen wind. Plotseling hoor ik een zwakke stem: « Man over boord!» Ik vlieg naar de verschansing en och Heer! Herman ligt op vijf meter afstand van me in zee. «Herman!» roep ik met al mijn kracht. Hij hoort me en ziet me recht aan. Ik glimlach hem geruststellend toe, maak een beweging met mijn handen hem beduidend zich drijvend te houden. Hij doet het. Ik beteeken hem dat ik den kaptein zal waarschuwen om de boot te keeren. Twee boeien worden hem van beneden toegewofpen. Een kwartiermeester holt me voorbij naar de brug luid roepend tot den kapitein: «Man over boord!» Herman zwemt nog. Ik geef hem, daar ik hem door mijn gesprekken voldoende voorbereid achtte, de voorwaardelijke absolutie. De boot, die 7 meter per seconde vaart, keert, doch is natuurlijk niet in eens tot rust gebracht. Ik zie Herman nog bij het* roer met de hooge golven op en neer gaan. Ik geef hem nog een laatsto absolutie. Hij ziet mij en ik hem vlak achter het schip. De boot keert. Ik ijl dwars over het schip naar de andere ver-