Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook moest ik fatsoenshalve even het alombesproken Campo Santo zien, het monumentrijke kerkhof van Genua.

Wat ik er van denk? Wel, heel aardig als wandelpark, maar als kerkhof een erg vreemde rariteiten-verzameling en ijdelheidstentoonstelling. Er ’ staan enkele mooie beelden en groepen, maar er zijn er te veel en de meesten zelfs wansmakelijk. Nu en dan proestte ik het uit. Bijv. bij dat beeld, in mooi marmer, van een levensgrooten mijnheer in rok gekleed, fantasiehoedje in de linkerhand, de rechter in den zak, het hoofd tegen een huisdeur geleund, met een zonderling gezicht. Je ziet hem, zoo natuurlijk is het, in zijn broekzak zoeken naar den huissleutel en hoort hem zeggen: «Nou, dat is ook wat moois, daar heb ik den sleutel vergeten en kan ik er niet in!»

Ik vraag excuus voor deze beschrijving van een grafmonument. Maar ’t is de eerste, meest natuurlijk zich opdringende gedachte. Op het brevier van een mooi-marmeren biddenden monnik, een waar meesterstuk van kunst, had iemand een levendrood rozeknopje gelegd, wat natuurlijk een gek effect maakte. Maar het gekste vond ik wel: vijf afdeelingen van het binnenkerkhofterrein waren rijk met levende- en kunstbloemen, kransen, portretten, kruisen enz. overdekt en netjes onderhouden, terwijl een zesde afdeeling dat der overleden Religieusen! niets dan hoog en ruig onkruid vertoonde, een één en al verwaarloosde boel, alsof het een stuk «ongewijde aarde» was! Een preek op zich zelf!

Neen, ik had genoeg van Campo Santo!

Adieu Genua! We gaan weer op de boot en zee in.

Neen, dan zie ik liever, een nacht lang, naar de Stromboli, met de witgloeiende lava opgespuwd uit den krater en wegrollend langs de helling en in zee uitsissend. Dan zie ik liever in het morgenlicht de verwoeste steden Messina en Refigio, met hun tallooze ingestorte huizen. Dat doet me ten minste denken, niet aan kleine menschenkunst, maar aan de geweldigste natuurkrachten en aan den Alvermogenden Schepper, Heer en Bestuurder van ’t Heelal!

Onder Kreta doorvarend richtten mijne blikken zich als vanzelf naar de plek waar, ónder mijn oogen, mijn arme vriend

Sluiten