Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Wat de kinderen U toezongen, Excellentie, hun lied, —het zijn geen conventioneele ijdele klanken geweest, het is een dank en een bede, U toegezongen uit het hart!»

De G. G. nam daarop het woord. In een keurige improvisatie bracht hij dank voor de welgemeende wenschen hem ambtelijk en persoonlijk gebracht. –

Hij verklaarde voornamelijk hierom sympathie te hebben voor de Christelijke Gestichten voor kinderen, en dus ook voor het Vincentiusgesticht, omdat daar de kinderen gebracht worden tot God, de Bronwel van alle goed; omdat daar voor zoovele kinderen, wier natuurlijke verzorgers zijn heengegaan of niet bij machte zijn de ouderlijke taak te vervullen, de roepstem gevolgd wordt van Hem, die gezegd heeft: «Laat de kinderkens tot Mij komen»; omdat daar in alle opzichten een goed werk verricht wordt: een jeugd vormen en opvoeden tot degelijke en Christelijke menschen, hetgeen voor deze landen van zooveel gewicht is. Hij wenschte het Bestuur kracht van Boven toe om de taak: de kinderen tot God te brengen, ten einde toe te volbrengen.

Deze indrukwekkende woorden, bij zulk eene plechtige gelegenheid met verheffing van stem uitgesproken door den Vertegenwoordiger van H. M. onze geëerbiedigde Koningin, zullen ongetwijfeld weerklank vinden bij allen, die ter liefde Gods, zulk een zware taak geheel belangloos op zich genomen hebben: kinderen opvoeden en grootbrengen voor God en de maatschappij.

Hierna werd Z. Exc. rondgeleid door de Inrichttng. Meermalen betuigde Hij zijn ingenomenheid met lyat Hij zag en hoorde. Op de speelplaats liet de muziek, den hoogen bezoeker ter eer, nog zeer verdienstelijk een marsch hooren.

Met de betuiging, dat hij de aangenaamste herinneringen aan dit hartelijk afscheid zou meedragen, verliet Z. Excellentie de Inrichting.

De Heer Idenburg liet nog eene ruime gift achter om den Vincentiuskinderen een genoegelijken dag te bereiden.

Dit bezoek zal ongetwijfeld in de annalen van het Gesticht met gulden letteren worden opgeteekend..

Buitenzorg 12 Maart 1916. ■ W. B.

Sluiten