Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

111.

De klapperboom

door

een Missionaris van Moentilan.

Kerel, berg je, daar valt een blad.

Mijn kameraad keek me aan, alsof... of liever hij wou mij aankijken, alsof... En hij stond op het punt mij te vragen: «Man, wat wil je nóu? Ligt je bovenkamer overhgop, of hoe zit ’t?» Maar gewaarschuwd door ’t gekraak boven hem, koos mijn vriend nog tijdig een betere partij, en deed ’n verstandigen sprong zijwaarts.

Boem! pats! zei ’t blad, en in al zijn ratelende dorheid smakte het op den grond..

«Nou hoor!», riep mijn kameraad «als ik dat ding op mijn hersens had gekregen, dan lag ik ér naast!»

Nu, geachte lezer, daar lag me dan ook effentjes wat: ’n blaadje van niet minder dan vijf meter lang, met een hoofdnerfje, dat aan den voet maar eventjes dertig centimeter breed was. Mag ik het u voorstellen: ’n klapperblad.

Maar mijn beste vriend was nog lang niet van den schrik bekomen. «Wat een beroerd land toch, dat Indië», ging hij voort. «Overal schorpioenen, die met hun giftigen staart op je zitten te loeren; elk oogenblik kans om door een slang te worden opgeslokt; en als er een blad van een boom valt kan het je leven kosten. Een beroerd land toch, hoor!» en met zijn handen in zijn zakken, afsof het tien graden vroor, stapte hij mismoedig naast me verder.

Nu moet u weten, dat mijn vriend zoolang hij hier is, nog

Sluiten