is toegevoegd aan uw favorieten.

Berichten uit Nederlandsch-Oost-Indië; ten dienste der eerwaarde directeuren van den Sint Claverbond, 1917, 1917

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren in het geheel 15 pond, de trein zou vertrekken om 8 uur, terwijl we ’s middags om 4 uur weer aan boord zouden terug zijn, de hofmeester zou zorgen voor de boterhammen als twaalf-uurtje: wie wilde meegaan, kon zich nog opgeven. Tot onze groote verbazing kwamen geen Portugeesche officieren aan boord om onze passen te viseeren, en hij, die maar wilde, kon vrij aan wal gaan. We stapten met een gezelschap van zes man de loopplank af en bevonden ons op de breed aangelegde kaai, uitstekend onderhouden, waarlangs grootere en kleinere booten lagen, terwijl steenkolenwagens af en aan rolden. Voortwandelende kwamen we op een groot aangelegd plein met het monumentale nieuwe Station: bij dezen aanblik klaarden de gezichten al wat op. Maar bij het binnen komen en doorwandelen van Rua Aranjo, de hoofdstraat, liep de barometer weer terug: min of meer onzindelijke, onaanzienlijke huizen, onooglijke winkels, weinig verkeer en drukte. Nu doorwandelend zien we rechts een mooi geplaveid plein, met aardig uitgelegde theekiosken. Op dit punt werd onze aandacht getrokken door een alleraardigst tooneel. Op dien hoek daar moest een stuk van de straat gerestaureerd worden. Men had den grond over een vlak van eenige vierkante meters op een diepte van plus minus twee dM. uitgegraven, opnieuw met klein geslagen rood steen en leemaarde aangevuld, met water overgoten, nu moest dat alles opnieuw worden aangestampt. Wat anders voor groote vlakken met de stoomwals geschiedt, gebeurd nu hier op dit kleine stuk door menschenarbeid. Een vijftiental Kaffers, flink gebouwde bruin-zwarte kerels, deden hier het werk. Zij bezigden hiertoe van die houten stampers, zooals men die in Holland ook wel ziet, een rond blok hout 21/2 dM. in doorsnee en 3 dM. hoog met hechte banden er om en waarin van boven in het midden een recht opgaande steel stevig bevestigd is. Een stoere kerel zong voor, en bij ’t zingen stak hij telkens zijn vuurroode tong tusschen de wijd geopende lippen, allen antwoorden in koor en al zingende dansten ze in maat twee schreden achteruit, waarbij ze een heel elegante pose aannamen, tilden allen tegelijk op de maat hun blokken hoog op, die dan weer al zingende tegelijk op den grond sloegen. Zoo ging