Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgestoken, waaruit valt te besluiten, dat hij alleen de noordelijke provincies heeft bezocht.

Volgens Confucius is het reizen een noodzakelijke vervolmaking van de studie. «Om een land te leer en kennen», zeide hij, «vooral wanneer het verschilt van dat, waar men geboren is, moet men het zelf bereizen en met eigen oogen alles gadeslaan, omdat de gegevens van anderen bijna altijd den stempel dragen van dwaling en vooroordeel». Getrouw aan dit beginsel, bezocht Confucius, twee of drie jaren, eenige provincies van China, die voor hem geheel de wereld waren. Niettegenstaande zijne jeugd werd hij overal geacht als een vaardig staatsman en geprezen als een groot geleerde. Zijn roem steeg bij den dag: arm en rijk, mandarijnen en officieren bestormden als het ware Koeng foe tze om hem raad en voorlichting te vragen.

Keuze van een levensstaat. Toen Confucius zijn 31ste levensjaar had bereikt, dacht hij na welken levensstaat hij zou kiezen. Het vóór en het tegen van meerdere ambten en bedieningen overwoog hij met grooten ernst. De wanorde op veelvuldig gebied, die toentertijd heerschende was, bij zichzelf nagaande, maakte hij het besluit zich te wijden aan de verbetering van het menschdom. Dit voornemen eenmaal opgevat, zou hij onherroepelijk ten uitvoer brengen, ofschoon familiebelang en raad van goede vrienden hiermee ook in botsing kwamen. «Mijn besluit staat vast», zoo antwoordde hij zijn tegenstrevers, «ik behoor toe aan alle menschen, want zij vormen één en dezelfde familie, waarvan ik belast ben de leermeester te worden. Ik ben nu 30 jaren oud, een tijdstip waarop ’s menschen geest in zijn volle kracht is. Ik kies dus met volle kennis van zaken. Mijn loopbaan zal moeilijk wezen, ik weet dat, maar ik aanvaard ze met volle kennis».

Tevergeefs bood de onderkoning van Tsie Confucius hooge staatsambten aan, hij wees ze van de hand, om, zooals hij zeide, zijn zending te vervullen: door de wijsheid te leeren, vervat in de boeken en in de deugden der voorouders.

Toen onze Wijze zich eens bevond aan het Hof van den Vorst van Tsjhoe, ondervroeg de Minister de leerlingen van

Sluiten