Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII.

Uit het Vincentiusgesticht te Buitenzorg

door Pastoor Ant. van Hoof.

Zooals je uit de krant weet, kwamen wij Donderdag-middag 4 Jan. te Batavia aan. Daar hoorde ik mijn bestemming: Buitenzorg. Wat ’n bof! Het neusje van den zalm om mee te beginnen; want Buitenzorg is een heerlijke «tampat» en uitnemend geschikt om klimaat te schieten. Ik zou er kapelaan worden en onderdirecteur van het Vincentius-Gesticht. Een pracht van een werkkring dus. Zaterdag-middag ging ik er heen, om Zondag al een beetje te helpen. Had de rit van Tandjong Priok naar Batavia mij sterk aan de «Peel» herinnerd, nu zag en genoot ik een echt-Indisch landschap: dessa’s met spitsgedakte huizen, waar vrouwen de rijst stampten; kali’s met groote rotsblokken tusschen het vuil-bruine water, waarover kleine prauwtjes scheerden; sawah’s, waar langzame buffels den ploeg door het spattende water trokken ; karbouwenkudden, slechts bewaakt door een klein jongetje, dat droomerig op den rug van een dier logge beesten zat; en dan in de verte de bergen, groen beneden en langzaam oploopend in violette en zwarte tinten met hun top in een witte regenwolk. O ’t was zoo mooi, ’t was zoo mooi, en tegelijkertijd : zoo nieuw en zoo oud; zoo verrassend en zoo gewoon; want ’t was alles zoo ras-echt-Indisch, als je dat van jongsaf gehoord en geleerd hebt. Op het dut-uurtje kwam ik te Buitenzorg aan, naar indische begrippen een mooi station. In Holland zouden ze het voor een groot dorp wel aardig vinden. Tientallen sado’s en deeleman’s stonden op het plein te wachten; maar hoe ik in mijn potjes-

Sluiten