Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheelen omgang, die men vrijwel karakteriseert met de woorden : „Wij zijn maar Javanen”. Aan den godsdienst stellen zij niet den eisch hen van dit zielelijden te genezen. Zij weten maar al te wel, dat deze hiertoe de kracht mist. Ook hun leeraars, zelf misleide Javanen of sluwe Arabieren, doen niets om hen uit hun godsdienstig pessimisme op te heffen, integendeel, zij weten, dat de Javaan aldus volgzamer en handelbaarder is.

Men vraagt zich wel eens af, hoe het mogelijk is geweest, dat heel Java het Mohammedaansche juk uiterlijk althans op zich genomen heeft; de heiden toch is van nature wantrouwig tegenover een, die machtiger is dan hij; gehecht aan de vaderlijke gebruiken, die door de geestenvereering, waarmede zij gepaard gaan, iets goddelijks gekregen hebben, minacht hij alles, wat daarmede in strijd is. De Mohammedaansche Godsbeschouwing , zonder meer kon niet aldus op een geheel volk inwerken. Er moeten dus buiten deze andere redenen geweest zijn, die den favaan met den vreemdeling en diens godsdienst verzoenden.

Bekend is het, dat het Mohammedanisme in Indië zijn intrede gedaan heeft door kooplieden uit Voor-Indië. Dezen vestigden zich op Java en onderhielderi handelsbetrekkingen met hunne geloofsgenooten. Zij huwden met vrouwen uit het volk, bekeerden deze tot den Islam, namen slaven en vormden langzamerhand een Moh. gemeente. Arabieren zetten hun werk voort, trokken overal door de binnenlanden en leerden daar het geloof in Allah en Mohammed. Zij lieten veel van het oude bestaan om het volk den omgang tot het nieuwe geloof gemakkelijk te maken. List en geweld waren de middelen, die zij aanwendden om hun doel te bereiken. Geen liefde tot den heiden was het, die hen dreef om dezen voor Allah te winnen. Neen integendeel, het was het onverbiddelijk fanatisme van hun godsdienst, dat slechts de heerschappij kent over een volk, of, zoolang het deze niet bezit, het met de wapenen tracht ten onder te brengen. Waar het godsdienstig fanatisme door een hoogere macht gebonden is, trachten zij zich te verrijken met de goederen der «ongeloovigen». Hun wijze van missioneeren in de Buiten-Bezittingen leert het ons voldoende.

Het volk haat daar het Mohammedanisme, omdat het lijdt onder zijn hoogmoed, maar vreest het tegelijkertijd, omdat het machtig is. Het heidendom, zegt de Mohammedaan, is vervloekt;