is toegevoegd aan uw favorieten.

Berichten uit Nederlandsch-Oost-Indië; ten dienste der eerwaarde directeuren van den Sint Claverbond, 1918, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stad geboren, zal ze toch terstond herkennen. „Maar hebt ge dan ook eiken in Indië ?” hoör ik u vragen. Wel zeker, waar vandaan anders die eikels ? „Maar waar staat ze dan ?” Wel hier vlak bij ons. Ziet ge dien hoogen, rechten stam daar? Welnu, dat is er een. _ „Maar op blad en zijn schors ziende zou men dezen toch niet voor een eik verslijten”.--Niet voor een Hollandschen eik, gaarne geef ik het u toe; evenmin als ge den ons vergezellenden Kromo voor een Hollhndschen jongen zult houden.

Van onzen Kromo gesproken, die daar zoo trouw met regenschermen en dito jassen achter ons aan marcheert, laat me met dien goeden man een pulken cicerone ook eens een woordje wisselen. Dat kan wel eens interessant wezen, vooral met zoo’n orang goenoeng, zoo’n bergbewoner, nog vrij van steedsche smetten. Heeft men vroeger onder de inlanders geleefd, beter gezegd: met inlanders omgegaan _ en dat deed meine Wemgkeit jarenlang in Flores en op Java – dan leerde men beter het goede dier menschen schatten en heeft men allicht meer slag er van gekregen om met hem om te gaan.

Ik weet wel, dat sommige Europeanen dat beneden hun waar-' digheid achten. Maar die heeren staan dan ook vaak op gespannen voet met de inlandsche taal, en nog vaker op gespannen voet met christelijk denken en christelijk voelen en handelen tegenover onze bruine broederen. Kunnen dezen het helpen, dat ze in een bruin kleedje ter wereld kwamen ? En wat is meer waard: eeri goed hart onder een bruine huid of een onchristelijk hart onder een blank bedeksel ? De kleeren maken den man niet De huid doet dat ook niet.

Mogen we dan eens even beginnen? ’t Meest geleidelijk exordium om zoo’n gesprek in te zetten, is wel de , vraag, of onze Kromo getrouwd is. Nu behoeven we dat by onzen cicerone met te doen. Hij heeft den leeftijd. Daarom beginnen we maar terstond: „Zeg, hoeveel kinderen heb je?” – Al zes. Toewan. – „Hoeveel jongens en hoeveel meisjes?” Hoeveel daarvan deernkens en hoeveel daarvan knechtskens waren, die hij aan zijn vaderhart mocht drukken, is me, en erg is het niet, ontgaan, maar met de verzuchting daarna uit datzelfde vaderhart opklinkend ■ soesah sekali. Toewan! ’t Is me een zorg,' meneer, t is me ’n zorg! Alles wordt zoo duur! Rijst duur sarangs uur, badjoe’s duur, kains duur, alles, alles duur. Ja