Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongemeen vreugdevol welkom werd hem toegeroepen bij name door mij, die immers zijn stadgenoot was, en door den Bosschenaar pastoor Dijkmans, zijn provinciegenoot: beiden immers wisten wij welk een schat van eenvoudige, oprechte, religieuze en priesterlijke deugd de Missie in hem ontving. Na een verblijf van een zestal maanden te Semarang heerlijke gelegenheid om zich te wennen aan het broeiheete klimaat! werd hij gezonden naar Soemba, het zoogenaamde Sandelhout-eiland, bewesten Flores gelegen, waar pastoor Bernard Schweitz en Broeder W. Busch sedert April 1889 werkzaam waren. Hij arbeidde er tot den 29sten November 1898, toen die Missie, om redenen welke we later zullen ontvouwen, werd opgeheven; ging toen naar Atapoepoe op Timor, begon er te lijden aan malaria en reisde, om herstel van gezondheid te zoeken, in Juli 1899 naar Malang. Hier verbleef hij, na een kuur gemaakt te hebben op Tosari, tot juni 1901, toen Larantoeka hem als standplaats werd aangewezen. Ten tweeden male echter greep de malaria hem aan, en wel in zoo hevige mate, dat de dokter het noodig oordeelde hem naar Holland te sturen. Den 3den Februari 1906 scheepte hij zich in op den Duitschen Stoomer ~Roon”, die hem bracht tot Marseille. Flen goed jaar vertoefde hij in Holland, beurtelings te Nijmegen, te ’s-Gravenhage, te Amsterdam, te Eindhoven, te Helmond en op nog meer andere plaatsen woonachtig. Zijne geknakte gezondheid herstelde zich in de koude lucht van patria zóó spoedig en zóó prachtig, dat hij weldra zonder vermoeienis te ontwaren kon arbeiden als priester en zelfs de Geschiedenis der Missie van Nederlandsch-Indië schrijven. Drie weken ongeveer nadat hij de laatste hand aan dat werk gelegd had: den 11 den April 1907, ging hij weder scheep op de „Goentoer”, die hem, na een uiterst voorspoedige reis, in Jndië terugbracht. Na een kort verblijf te Bandoeng werd hij geplaatst te Larantoeka en verbleef aldaar tot zijn dood.

Ziedaar het uitwendige zijns levens Thans zij het mij vergund een blik te slaan in zijn binnenst; den lezers der Berichten den ondergrond, om dus te spreken, van die tamelijk eenvoudige en toch ter uitbreiding van het rijk Gods zoo vruchtbare gebeurtenissen te ontvouwen; en hun den geest te schilderen, die den waardigen zoon van den H. Ignatius in al zijn doen en laten bezielde. Dit immers dient voorop gezet te

Sluiten