Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toén zoo spoedig mogelijk naar Moeder. Er werd raad gehouden en besloten ónze diensten aan te bieden. Tien groote meisjes bleken terstond bereid dadelijk met Zuster Ernesta en mijn persoontje de baan te openen. Om negen uur waren we al geïnstalleerd in pastorie en school. Wat een ellende! Te groot om te beschrijven. O. L. Heer gaf ons gelukkig den noodigen moed en de noodige opgewektheid voor onze zware taak, en pastoor en jongens waren maar wat blij met onze hulp.

Pastoor Karsten, hoewel flink ziek, liep nog rond, het lichaam in een wollen deken gewikkeld. Zoo juist had hij weer vijf jongens bediend. Toen wij waren gekomen, ging pastoor Karsten, die verder niet meer kon, ook naar bed. Wij hadden met ons twaalf de handen overvol. Het was ellende, overal ellende. Dien dag werden er weer twee jongens begraven. De gezaghebber de heer ’t Sas was zoo vriendelijk om met zijn kettingjongens voor de begrafenis te zorgen. Ook op ander gebied is deze uiterst vriendelijke heer, evenals mevrouw zijne echtgenoote, ons zeer behulpzaam geweest. Aan hen beiden onze innigste dank!

Pastoor van der Velden had ondertusschen een zwaren nacht; hooge koortsen en van benauwdheid hijgend naar adem. Van de eene ziekenkamer gingen wij naar de andere. Helaas van eenige beterschap zagen we nergens iets. Broeder Vincentius was zelfs reeds bediend.

Vrijdag 20 December kwamen Zuster Hygenia en Zuster Agricula met tien andere meisjes ons vervangen. Thuis werden wij geïsoleerd in een apart liggend gebouw. Dien dag werd de ellende nog grooter.

Zaterdag 21 December was bij onze komst de Broeder zoo juist overleden, pas 32 jaar oud en rtog geen 2 jaar in de Missie. Even vóór zijn dood sprak hij nog: „O. L. Heer, aan U offer ik mijn jong leven, gaarne leg ik het af als slachtoffer van van mijn plicht”. Nog volgden dien zelfden dag weer twee jongens. Pastoor van der Velden werd zoo ziek, dat steeds iemand bij hem moest zijn. Hij vroeg om bediend te worden; maar daar was helaas niemand, die het kon doen. Pastoor Karsten lag al stervende en Pastoor Baack was niet bij machte van bed op te staan. Wij zullen, sprak deze, elkaar maar de absolutie geven in de verte; en dat werd toen gedaan.

Pastoor van der Velden was overigens uiterst kalm. „Kom

Sluiten