Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achter dien boom, wat staat daar? Een bamboestruik, wel een kleine, maar een echte! Hebt U die in Holland ook?

Nu we het toch over boomen hebben; hoe vindt U dien STAM VAN EEN WARINGIN, op het volgend plaatje? Niet eigenaardig? De vier personen bij den voet doen nog beter het reusachtige van zijn omvang uitkomen. Als U den heelen boom zag, met zijn ontzaglijke bladerenkruin, zoudt U de menschen wellicht voor dwergen gaan houUen. Deze waringin heeft de geleerde wereld consociata gedoopt. Wat dit beteekent? ’t Best vertalen we het misschien door de „gezellige”. Is die boomreus dan zoo gezellig? Op zijn manier ja. Zie maar eens, hoe vele stammen met elkaar vergroeid zijn en de dus gevormde hoofdstam nog verdikt wordt door rond er om heen groeiende wortels. Een heel gezelschap! Minder gezellig, althans voor den mensch, is, dat zich tusschen die wortels zoo gemakkelijk slangen en ander ongedierte nestelen.

U moet echter niet meenen, dat alle waringins er ongeveer hetzelfde uitzien. Varietas delectat. En daarvoor heeft O. L. Heer gezorgd, ook bij de waringins. Zoo hebt ge waringins, die geen luchtwortels schieten en enkel op één stam staan. Op de zoogenaamde aloen-aloen (inlandsche pleinen, vooral vóór de regentswoningen) ziet ge deze alleen vertegenwoordigd. Dat gebruik dateert al van den Hindoe-tijd, toen deze boom als een heilige werd beschouwd en daarom ook nu nog, naar we ons meenen te herinneren, met den naam van religiosa prijkt.

Andere waringins laten luchtwortels neerzakken uit horizontaal flink uitstaande takken. Bereiken deze wortels den grond, dan verdikken ze zich zelf tot stammen en helpen den hoofdstam in het aanvoeren van sappen en het schragen der reuzenkruin. Soms telt men meer dan honderd van die hulpstammen.

Bijna vijfentwintig jaren geleden zag ik zoo’n prachtexemplaar op een hoogvlakte van ’t eiland Solor. Eenig! ’t Leek wel een uit den grond gegroeide reuzenkathedraal met een gewelf van zilveren takken en groen gebladerte, met ik weet niet hoeveel respectabele stammen als zuilen. Nergens heb ik later dergelijk natuurschoon gezien. Is het wonder, dat de heidenen daar dien levenden zuilentempel als hoogheilig beschouwden? Geen enkel takje mocht er afgeplukt, geen enkel schot gelost worden. Toen ik er dan ook mijn schreden heenrichtte, poogde men mij door voorspiegeling van allerlei gevaren af te schrikken. i

Sluiten