Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer, dat niemand in ’t een hand durfde Pater Toebast ging kalm door met bidden. Toen kregen de wilden weer moed, en eindelijk sloop er een achter den missionaris aan, om hem met zijn zwaren knuppel den doodelijken slag toe te brengen. Doch op het laatste oogenblik wejfelde ook hij, maar een ander kwam hem te hulp en sloeg den Pater neer. Doodelijk getroffen was de missionaris nog niet, maar niemand durfde den bewustelooze verder leed aandoen.

Na eenigen tijd kwam de* getroffene weer bij, en al zijn krachten inspannend, sleepte hij zich naar een prentje, dat hij aan den muur had opgehangen. En neerknielend sprak hij, zijn beulen moed gevend: „Vrienden, ziet mij hier voor u liggen, niet om mij te verdedigen, neen, ik lig hier den dood af te wachten, uit uw handen. Zoo is ’t; soldaten, die mijn dood zouden kunnen wreken, zijn hier-niet, en ook ik zal u niets doen. Vreest niet, ik ben in uw; macht, doet met mij wat ge wilt. Ziet, mijn hart is bereid om doorboord te worden door uwe pijlen, ziet deze gevouwen handen, zij zullen geen tegenstand bieden. Voldoet aan uw begeerte naar wraak en beneemt mij vrij het leven.”

Als bloeddorstige wolven stormden de Cariben op den armen missionaris los. Met knuppels en stokken sloegen zij hem en doorboorden ten slotte zijn hart. En onder het voortdurend uitspreken der heilige namen van Jezus en Maria, bekroonde Pater Toebast, slechts 36 jaar oud, zijn werken en lijden voor Christus, met den marteldood. Hiermede was hun lust naar wraak nog niet voldaan, zij kapten hem de handen en voeten af en voerden die zegepralend als buit mee.

Toen eenige bekeerde Indianen dit afschuwelijk schouwspel gezien begaven zij zich zoo vlug mogelijk naar de twee nog overgebleven Paters. Het eerst bereikten zij Pater Augustinus de Campos. Uit hetgeen hem gemeld werd, begreep de Pater, dat hier, boven zijn verlangen om voor Christus te sterven, de plicht ging, om te beproeven zijn leven te redden. Want anders

„Soo haest als sy in waeren gecomen, heeft P. Ignatius met een bly gemoet hun verwillecomt, ende toelachende, hun den goeden avont gewenscht, waer over sy heel verbaest stonden; al hoewel dat sy hem alleen vonden sonder bescherminge van soldaeten. Sy stonden langen tyt soo verbaest, en bevreest over dese kloeckmoedige groetenisse, dat memandt hem geantwoort heeft, noch niemandt hem eerst heeft derven aenvallen, om dat moordadigh feyt in ’t werek te leggen.”

Sluiten