Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

speelden, maar het heele college was toeschouwer. Was onze goal in gevaar, dan spoorden we onze luidjes aan om hun best te doen. En een enkele maal waren we zelfs bang voor een gevaarlijken aanval der tegenpartij. Maar dan kwam er weer hulp en we klapten in de handen, want we zagen, dat wij sterker waren door samenspel. Onze clublui verstonden elkander! Wij waren blij en fier op de overwinning, omdat het onze club was. Elf jongens speelden slechts, maar de 200 anderen volgden, en deelden m den strijd. Zoo is het vandaag ook. Slechts 29 werden er gedoopt, maar allen zijn wij blij, omdat onze groote vereeniging weer m aantal en kracht is toegenomen. De R. K. Kerk op Java heeft weer 29 nieuwe leden opgeteekend, die beloofden met al hun krachten te zullen meewerken, om den grooten strijd te strijden tegen ongeloof en bijgeloof, op ons dierbaar Java. En dan vertelde hij van een vriend van hem, die onze school pas had verlaten en die nog pas had geschreven, dat de strijd veel, veel zwaarder en dikwerf pijnlijker was dan men zich kon voorstellen. Tot slot natuurlijk een flinke aansporing om eeuwig trouw te blijven aan het gegeven woord en met alle krachten mee te werken aan-de ware opheffing van het Javaansche volk.

Een tweede spreker volgde. Hij had juist een telefoontje gehad; waarachtig een gesprek met een engel, recht uit den hemel! „Hallo, weet u al, dat er zooëven 29 koelis (daglooners, sjouwers' grassnijders, enz.) tot Pangerans (prinsen) zijn verheven ?“ „Waar is dat gebeurd?“ – „In Moentilan, op de kweekscholen.'' En hij als journalist er heen! om de nieuwe Pangerans van den hemelschen Sultan te begroeten en geluk te wenschen met hun verheffing. Natuurlijk ook hier werd niet vergeten, dat ze moesten onthouden het: Noblesse oblige!

Zoo kwam de een na den ander. Een fulminante speech over de slavernij des duivels en wat daaraan vastzit, in vergelijking met het kindschap Gods waartoe ze waren verheven. Ja, over den duivel werd heel wat onvriendelijks gezegd en niet minder over het heidendom. Ik dacht na, welken indruk dat alles op de nog niet gedoopten moest maken en ik liet mijn oog gaan langs de rijen; maar een enkele blik overtuigde me, dat ze het geheel eens waren met de sprekers. De meesten hunner worden nog teruggehouden door redenen buiten hen. Maar ook zij zullen volgen, zonder twijfel! Van de nieuwgedoopten, die nu zoo ge-

Sluiten