Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem zoo schitterende wapenfeiten begon Mataram’s vorst zich geducht te voelen en sloeg hij aan ’tdroomen over een „Java una“, één Java onder Mataram’s scepter. Daarin mocht natuurlijk geen plaats zijn voor den Westerling.

Hij was de eerste niet, die aan landhonger leed en zou ook de laatste niet zijn. Zelfs sloeg het behaalde succes hem zóó in zijn vorstelijken bol, dat, toen in 1624 weer een afgezant van den gouverneur-generaal verscheen, hij dezen alleen wilde ontvangen als . . . (excusez du peu!) „slaaf-afgezant van den slaaf van Pangéran lngngalogo“. Niet overdreven bescheiden, zooals men ziet. Maar met deze hooghartigheid was de vorst aan een verkeerd kantoor. Kort en fier klonk het uit den mond van den Jiollandschen gezant: ~onze Heer gouverneur-generaal is noch slaaf noch dienaar van Mataram’s vorst".

Gelukkig was Coen weldra terug. Maar dat scheen den Soesoehoenan zooals de vorst zich thans noemde allerminst te hinderen. Van de wijs gebracht door zijn vroeger succes en op zijn groote strijdmacht vertrouwende, durft hij zelfs tegen Coen optrekken, om hem in zijn eigen woonplaats te bestoken.

Wat te doen tegen deze geweldige overmacht, terwijl Coen slechts over een betrekkelijk klein troepje manschappen beschikte? In plaats van zijn legertje aan vijandelijke aanvallen bloot te stellen, maakte Coen gebruik van de zee om den toevoer van levensmiddelen voor den vijand af te snijden. Dat hielp. Na ruim een jaar moest Mataram’s vorst zijn troepen terugtrekken, daar honger en ziekte zich geducht deden voelen.

Doch die aftocht beteekende nog geen berusting. Vooral na Coen’s dood (162 Q) werd de stemming er niet vredelievender op. Om zich derhalve Mataram van ’t lijf te houden, poogde men van Hollandsche zijde eerst Bah en later Bantam tegen hem in ’t harnas te jagen. Ondertusschen maakten de Portugeezen, die vriendschapsbetrekkingen met den vorst onderhielden, voor ons de zaak niet beter. Maar met den val van Malakka een harde slag voor den Portugeeschen naam heel Indië door was ook hun invloed te Mataram zoo goed als gebroken.

Toen kwamen de Engelschen op ’t tooneel; dezen trachtten den Hollanders ook te Mataram een spaak in ’t wiel te steken. Van uit Bantam stuurden ze een deftig gezantschap naar Mataram. Men begrijpt, dat de inlandsche vorst zich voelde, vooral

Sluiten