Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevolg. Ook de Raad van den Onderkoning en de Hooge Kroonraad meenden de uitspraak der inlandsche rechtbank te moeten handhaven. En nu wachtte de grijsaard, die bij de leden zijner kaste steeds in eere had gestaan, vernederd en wanhopig op de voltrekking van zijn vonnis.

Een Pater Jezuïet, missionaris in het nabij gelegen Palamcotta, door medelijden bewogen, zond den armen heiden eenige woorden van troost en opbeuring. Zij werden met bitterheid ontvangen. „Indien er waarlijk”, zei de gevangene, „een God bestaat, die rechtvaardig is en goed, hoe kan hij dan deze zegepraal van mijn vijanden toelaten? Ik heb vier kinderen”, voegde hij er bij, terwijl hij met de hand de gestalte van elk aanduidde, „wat hebben die gedaan, om zoo beroofd te worden van hun vader?” En snikkend van wanhoop stootte hij eiken troost van zich af.

Maar God had zich die ziel uitverkoren. Na enkele dagen voelde de ongelukkige zich opeens veranderd. Een groot verlangen naar den missionaris vervulde zijn hart. Hij smeekte den bewaker zoo spoedig mogelijk den priester te ontbieden.

En terwijl de boodschap onderweg was, maakte God den armen heiden reeds tot apostel. Twee zijner stadgenooten, met hem gevangen, doch met wie hij van uit zijn cel kon spreken, deelden weldra in zijn gevoelens en toen de missionaris blijde toesnelde, vond hij niet één, maar drie veroordeelden, die hem wilden ontvangen. Zonder nog onderricht te zijn, verklaarden zij te gelooven in den God, waarvan de priester gesproken had en aan dien rechtvaardigen en goeden God den troost te willen vragen, dien de aarde hun weigerde.

Ten hoogste verbaasd en diep getroffen begon de pater hen te onderrichten. Gelijk een dorstige aarde den frisschen regen, zoo dronken die zielen de onsterfelijke hoop der waarheid.

De groote moeilijkheid, zoo dacht de priester, zou bestaan in den bitteren wrok, dien zij gekoesterd hadden tegen hun aanklagers. Gods genade had die moeilijkheid reeds overwonnen. „Ja”, zei de grijsaard, „ik vergeef van ganscher harte, ik berust in mijn lot, ik wil gedoopt worden en naar den hemel gaan. Zoo even zijn mijne kinderen aangekomen met hunne moeder: priester, ik vertrouw ze aan uwe zorg, maak er goede christenen van. Zeg tegen mijne vrienden, mij niet meer te bezoeken, ik wil

Sluiten