Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen nog denken aan God en mijn Verlosser.” Eenige oogenblikken later werd zijne ziel gereinigd door het heilig doopsel, waarna de missionaris hem ging voorbereiden voor de eerste H. Communie.

De veroordeelde der tweede cel behoorde tot de kaste der Pandarams. Het was vastgesteld, dat hij eerst na den grijsaard, die tot de kaste der Maravèrs behoorde, zou worden terechtgesteld. Toch ontving hij den priester met de verzekering; „Pater, men vergist zich, niet de Maravèr, maar ik moet morgen sterven.”

Had zijn engel hem dat ingegeven? De cipier sprak het nog tegen, maar hij hield vol en verlangde ten spoedigste gedoopt te worden. Geen enkele klacht kwam over zijn lippen, hij sprak zelfs niet meer over zijn familie. „Ik bid nu maar tot God,” zeide hij, „tot God, die mij wacht.”

In de derde cel bevond zich zijn neef, ook een Pandaram, een jongeling van twintig jaar. De pater bleef lang bij hem, maar die uitverkoren ziel had weinig meer te leeren, Gods genade had haar overstroomd. De missionaris was diep ontroerd. „Maar Swami,” zei de jongeling, „zijt gij nu bedroefd, terwijl ik gelukkig ben? De gansche wereld is mij minderwaard dan mijn geluk.”

Dien nacht berichtte men den pater, dat de regeling der terechtstelling gewijzigd was en dat de oudste der Pandarams den volgenden dag zou sterven. Juist zooals hij voorspeld had.

Toen een politie-afdeeling voor zijne cel werd opgesteld, begon de veroordeelde zacht te lachen. „Meenen zij dan,” zeide hij, „dat ik mijn geluk ontloopen zal? Ik ga ten dood even blijmoedig als ik naar mijn familie zou terugkeeren.”

Bij het afscheid zeide hij tot zijn jeugdigen neef; „Kind, ik ga naar den hemel, wees standvastig en kom morgen ook. Ik zal voor u bidden, heb dus geen vrees.” Het antwoord was even eenvoudig en verheven: „Neen ik vrees niet, ik zal niet zwak zijn; morgen zijn wij bij den goeden God.”

De politiemannen keken elkander verbaasd aan. Dat rustig afscheid greep hen in de ziel. Onderweg bleef de Pandaram onophoudelijk bidden en tot zijn laatsten snik hield hij niet op den naam van Jezus Christus aan te roepen.

Intusschen had de jongste veroordeelde bezoek ontvangen van zijn moeder en grootmoeder. Luid weeklagend stonden de arme.

Sluiten