Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerlijk kon Juan getuigen, dat hij edelmoedig was geweest. Dikwijls had zijn biechtvader de geweldige verstervingen moeten matigen, die hij zich oplegde, ’t Was of de duivel hem kwam voorrekenen, hoe dikwijls hij had gevast en hoeveel malen hij zijn lichaam had gegeeseld om te boeten en te lijden met Jezus voor de bekeering der wereld. Neen, hij had geen half werk geleverd, met de volle energie van z’n Spaansch karakter had hij het offer van zichzelf gebracht. En nu ineens dat verschrikkelijke, ’t Was toch rechtvaardig geweest, wat hij gedaan had. Als ’n dief bij je inbreekt en je grijpt hem, mag je ’m dan niet uitleveren aan de politie? Wat had hij anders gedaan? De burgemeester had het doodvonnis uitgesproken: die had getuigen gehoord, had ook geen schuld! Waarom dan dit? Wat had Onze Lieve Heer dan tegen hèm, dat Hij zóó strafte?

Heel de hemel spetterde nu van stralende sterren! ’t Werd helderder omtrent middernacht, wanneer je zou denken dat ’t juist het donkerst moet zijn.

Maar neen, 't kon niet: God was niet vertoornd op Juan. Hij strafte hem niet, hij beproefde hem. Daar had hij wel ’ns over hooren preeken: zooals goud in den smeltkroes.

O, nu werd ’t weer lichter, en licht is zoo weldadig: hij zou toonen, dat hij van zijn kant trouw zou blijven aan z’n besluit van vijftien jaar geleden: tot aan zijn dood dienstbaar te zijn aan de missie, ’s Morgens begaf hij zich naar de kerk. Maar hij ging niet binnen. Heel nederig knielde hij buiten bij den ingang, zooals hij in z’n vaderland de openbare zondaars had zien doen, en bad daar: bad tot onze Lieve Heer en tot de menschen die ingingen, zijn zaak daarbinnen te bepleiten.

Zoo deed Juan den eersten dag: zoo den tweeden en den derden en nog meer, totdat de Overste der missie toevallig kwam .... Neen, hij ging niet voorbij: hij sprak hem aan op vriendelijken toon; er kwamen veel bekeerlingen rond hen staan en terwijl de Philippino’s een juichkreet aanhieven, omhelsde de pater zijn braven vriend naar Spaansch gebruik.

De oplossing was eenvoudig: de plaatsvervangende overste was een heilig man: hij zou heelemaal heilig zijn geweest, ware hij niet onredelijk angstvallig.

Bij zijn terugkeer liet de overste zich van alle kanten inlichten

Sluiten