Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

auto s en andere voertuigen jagen en wolken stof doen opstuiven. Aan weerszijden, op de ruime trottoirs, loopen honderden Javanen; huis aan huis ziet men winkels (toko’s) groot en klein, van Europeanen en Chineezen; groote reclameborden maken den voorbijgangers duidelijk, waar de agenten der groote Maatschappijen hem wachten, om zaken te doen; op de drukke kruispunten staan Javaansche politieagenten, op bloote voeten natuurlijk, met den witten verkeersstok in de hand en regelen op Europeesche wijze het verkeer; wij rijden langs een groot, wit bioscoopgebouw, waarvoor de gewone schreeuwerige reclameborden met dramatische voorstellingen alle rassen binnenlokken, juist als in Holland s groote steden en we worden overbluft door dit mengelmoes van n Inlandsche stad met Europeesche verschijnselen of, als U wilt, allures.

Doch niet naar het stadsgedoe kijken wij vooral, onze blik is gedurig gericht op de bevolking, die zich op de trottoirs beweegt; wij kijken ze zooveel mogelijk in het gezicht om de gelaatsuitdrukking waar te nemen, zij zijn immers de menschen, waarvoor wij eigenlijk uit Europa kwamen.

Wat gaat] er in die menschen om? Wanneer zullen wij in staat zijn hun taal te spreken? Wie hunner zullen wij het geluk hebben te onderrichten en in de kerk op te nemen? Allemaal vragen, die ons in spanning houden en waarop het antwoord pas later kan worden gegeven.

Ik wil eerlijk bekennen, een gevoel van hulpeloosheid kwam over mij, juist als vroeger in Hollands hoofdstad, wanneer ik vanuit m’n raam op de 4de verdieping van het Ignatiuscollege, Hobbemakade 51, in de lange straten der „Pijp” keek en mij afvroeg; wanneer en hoe de menschenmassa, die daar dooreenkrioelt, tot Christus’ éénen schaapstal zou worden gebracht? lets dergelijks kwam over mij, bij het zien dier honderden en honderden, die voortschoven over de groote wegen van Djokja. Dit gevoel van hulpeloosheid zou echter niet lang duren, want eenige dagen later mocht ik assisteeren in de Javanenkerk, en louter jubel vervult het hart, als men gadeslaat, hetgeen reeds daar in zoo korten tijd onder de Javanen werd tot stand gebracht. Doch hierover straks.

Is de stad, die ik zoo juist beschreef, ’t „eigenlijke Djokja”?

Sluiten