Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hongerige maagjes, die in zwermen op de sawah’s neerstrijken; wat zij meenemen moet de landbouwer missen.

Door de ondervinding wijs geworden, zou Pak Karta beide vijanden wel weten te weren. Op zijn sawah sloeg hij vier stevige bamboe-palen in den grond; daaroverheen maakte hij een dakje van drooge klapperbladeren. ter bescherming tegen de al te felle zonnestralen en den neerplassenden regen en een meter boven den grond legde hij er een vloertje in van stevige bamboe-latten, daar zou hij ’s nachts op kunnen liggen, als hij de wacht hield. Naast dit eenvoudige hutje plantte hij een hoogen paal, aan den top daarvan werden eenige touwen gebonden, die in verschillende richtingen over het veld liepen en voorzien waren van in den wind fladderende lapjes. De kleine Soeradi, het tweede zoontje van Pak Karta, werd overdag naar de sawah gezonden, nu eens door van uit z’n wachthuisje in de handen te klappen (zie blz. 258), dan weer door aan een der lange touwen te trekken en alle lapjes in beweging te brengen moest hij de rijstdiefjes op een afstand houden. Soeradi IS een klein bruin kereltje met een katoenen broekje en een klein jasje los over het naakte, bruine bovenlijf. Andere kleeren heeft hij nog nooit gedragen en hij heeft een tijd gekend, dat hij het met heel wat minder moest doen. Toen was hij als een kikker, die beurtelings op het land en in het water leeft; de warme zon droogde hem wel af en verder had hij niets noodig. Die zorgelooze tijd was nu voor den kleinen Soeradi voorbij. Vader had hem vanmorgen gezegd: Di, je moet naar de sawah gaan, zorg dat je de rijstdiefjes eruit houdt. Soeradi wist, dat, als vader eenmaal zoo iets bevolen had, er niets meer aan te verhelpen viel; hij antwoordde dan ook maar heel onderdanig: Inggih, Pak. Ja, vader. Toch wilde hij er nog een slaatje uit slaan en vroeg: Pak, en als ik vanavond terugkom krijg ik dan een bénggol (Tj, c.)l Vader had geantwoord: Als vader tevreden is krijgt Di een bénggol. Huppelend van blijdschap, liep Soeradi naar de sawah en met den grootsten ijver begon hij zijn werk.

Daar kwam een geweldige zwerm rijstdiefjes aanvliegen: Soeradi trekt met geweld aan de touwen, (zie blz. 267), hij schreeuwt wat hij halen kan, hij klapt in zijn handen tot de hongerige

Sluiten