Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOESA-KAMBANGAN DOOR A. VAN AERNSBERGEN S.].

■n de Maart-aflevering 1920 (blz. 65) berichtte Pastoor F.Stratervan eene dienstreis naar Noesa-Kambangan, en vertelde daarbij heel wat bijzonderheden over dat eilandje en zijn eigenaardige bewoners. Onder verwijzing naar dat artikel volgen eenige aanvullende mededeelingen: dat ook iets van ’t vroeger geschrevene herhaald wordt, is onvermijdelijk, en zal de vriendelijke lezer wel voor lief nemen.

Noesa-Kambangan is een tamelijk langgerekt eiland aan de zuidkust van Java, bij Tjilatjap, + 140 K,M. ten Westen van Djokja. Het is 30 K.M. lang, en heeft een oppervlakte iets grooter dan Terschelling. Het beschermt met zijn oostelijk deel de reede van Tjilatjap, de veiligste van heel de zuidkust; het westelijk deel van ’t eiland sluit de Kinderzee af van den Indischen Oceaan; terwijl het midden over een lengte van 10 K.M. slechts door een smal en ondiep kanaal van den Javawal is gescheiden.

De rotsachtige bodem van het eiland verheft zich steil uit zee tot eene hoogte van 100 a 150 M. en is geheel met woud bedekt. In de kalksteenstrooken, die aan de Noordkust voorkomen, zijn vele druipsteengrotten (zie blz. 164). De mooiste zijn de Limoes boentoe tegenover Tjilatjap, die uit een enkel hol bestaat van ruim 100 M. lengte; en een grot aan de Kinderzee, die om haar vorm Mesigit sela, „steenen moskee”, wordt genoemd en de begraafplaats moet zijn van een mohammedaanschen „heilige”,