Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de bont-gekleede vrouw, die de Javanen tëlèdèk noemen, staat dan met de plooien van het onderlijfskleed tusschen de beenen, de voeten dicht tegen elkaar gedrukt, in haar volle lengte eenigszins opgedraaid en toegesnoerd. Met een lichte zwaai werpt de linkerhand het eene uiteinde van de slèndang een weinig naar achteren.... en een reeks elegante bewegingen met hoofd, handen, vingers en romp, volgen elkaar langzaam op, afgewisseld door geruischloos voetverschuiven, nu eens links dan weer rechts en zacht gegolf en gewuif met het lange zijden kleed, af en toe gevarieerd door luid gezongen versregels. Het hoogtepunt wordt bereikt door een puntdans. Op de teenen zwiert de danseres rond, beschrijft een cirkeltje en hurkt dan neer om een volgend deuntje af te wachten.

Als men bij dit soort dans naar de beteekenis vraagt van de verschillende gesticulaties, wenschen we het antwoord schuldig te blijven, ’t Is echter zeker, dat die gebaren, naar de smaak en opvatting van de danseres, de schoone expressie zijn van haar gevoel, door de muziek opgewekt.

Men vergete echter niet, dat we hier te doen hebben met beroepsdanseressen, die schijnen te leven om te dansen en dansen om te kunnen leven, zoodat machinale bewegingen en geforceerd effect-bejag den luister van het geheel niet zelden verminderen. Dit is nog meer het geval als zulke ballerina’s, wat in den regel het geval is, niet slechts beschermelingen zijn van Terpsichore, maar helaas daarenboven priesteressen van Venus.

Ook aan de hoven van Jogjakarta en Soerakarta worden danseressen aangetcoffen, de zoogenaamde bëdaja’s en serimpi’s. Ze mogen .echter geenszins op één lijn gesteld worden met de zooeven genoemde tëlèdèks. De serimpi’s zijn gewoonlijk meisjes van vorstelijken of adellijken bloede, eveneens de bëdaja’s. Doch de laatsten kunnen ook vervangen worden door als danseres gekleede edelknapen.

Zoowel door hare kostuums als door haar dans staan deze adellijke hofdanseressen ver boven de tëlèdèks. Terwijl de kleeding der publieke danseressen opvalt door veelkleurigheid, munt die der serimpi’s en bëdaja’s uit door smaakvolle, stemmige pracht. Een zwart fluweelen met goud gezoomde krijgsrok bedekt het bovenlijf, waardoor de vorstelijke teekeningen van het gebatikte

Sluiten