Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Plotseling ziet hij ons dan, zet op de gewone wijze een keel op, strekt beide armpjes uit en loopt zoo vlug als zijn waggelbeentjes het toelaten den hoek van het huis weer om.

Prachtig hebben we nu zijn mooie „gombak” juist even kunnen zien, doch een dergelijk hoofdsieraad hadden we achter op dat kaasbolletje niet verwacht. Tot even boven den hals is alles kaalgeschoren, de millimeterschaar is er om daar elke poging tot groeien te beletten. Onder het achterhoofd echter hangt de „gombak”, een franjeachtige haarkrans, in lange schrale bosjes afdruipend tot in den hals. Een oogenblik slechts duurt het koddige gezicht; dan is deze kleine drager van een oud Javaansche adat om den bamboewand van het huis vprd wpn—-

Nog meer dan deze „gombak” wordt in onzen vooruitstrevenden tijd, de z.g. „pétékan” naar het gebied van ouderwetsche en slechts onontwikkelde dessamenschen waardig gekeurde adat verwezen. Stel U voor, een kaal kinderkopje, zooals ik U er in dit opstel al meerdere als ondergrond voor „koentjoeng" of „gombak” voorstelde. Denk U er, iets boven de slapen, aan beide zijden, eenige lange haarfranjes tegen aan, afhangend tot even boven de wangen, en U kunt U eenigszins indenken het komische van zulk een verschijning, die men hier in de dessa zoo nu en dan nog wel eens ontmoet. Als een erfenis van voorouders, die vele jaren-geleden leefden, spreekt deze „péfékan den stadsmenschen tegen. Doch, komt men in dessa s, die nog niet dat wild opdringerige na-aperij

3. „Skèdeng”.

Sluiten