Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEVENSSCHETS VAN DEN HEILIGEN PETRUS CLAVER

PATROON VAN ONZEN MISSIEBOND DOOR BROEDER WALTHER 8.D.0.0.

(Vervolg van blz. 30)

Op het slavenschip

wijde uitgestrektheid lag de woestijn van Afrika, onder den wolkeloozen strakgespannen hemel. De hooge zon stond onmeedoogend op de vlakte te branden. Door het heete, blinkend-witte zand trok een lange rij negers moeizaam verder. Ze waren met snijdend-scherpe lianen aan elkaar gekoppeld en sommigen droegen op hun hoofd of schouders zware lasten ivoor, huiden of vruchten.

Naast dien treurigen troep reden eenige opzichters, die door geroep en geschreeuw, door stompen en slagen, de oververmoeide gevangenen steeds verder dreven.

Zij hadden gehoopt gisteren reeds de stapelplaats aan de kust in ’t gezicht te krijgen, maar er was nog niets te zien, geen boomen, geen zee; niets dan wijd en zijd de eentonige, verlammende zandvlakte, uren, dagreizen ver.

Op ’t heetst van den dag, als de zon hun bijna loodrecht op ’t hoofd brandde, werd er voor enkele uren halt gehouden, niet uit medelijden met de zwarte voetgangers, maar, omdat de begeleiders zelf rust behoefden en hun paarden niet meer verder konden. Hoe hadden die negers kunnen rusten? Tenten om

Sluiten