Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

z’n gelaat had iets stroefs als van wrokkende verbittering. Nu een maand geleden, was hij op ’n feestdag naar de kerk geweest in Djocja, vol hoop en met een blije onbezorgdheid. Na de plechtige Hoogmis wipte hij even aan bij den pastoor om te spreken van z’n toekomstplannen. En bijna zeker, dat z’n verzoek zou worden ingewilligd, had hij z’n aangeboren schuchterheid overwonnen en den pastoor om geld gevraagd, ter leen, voor den trouwdag: dan moest er feest zijn en daar was gauw een f 25. mee gemoeid. —De pastoor had ze geweigerd. Niet om die f 25.—, die wel een leening zouden worden met altijd-rekbaarder termijn, maar omdat Doel van de eene leening in de andere zou komen, en toch al schulden bij z’n vrienden had. En vooral: omdat hij zich het leven zoo vol illusie uitteekende, en nog zoo weinig rekende met de harde werkelijkheid. Hij werkte voor z’n vader op de sawah, als die hem er heen stuurde: maar om zelf werk te zoeken aan de fabriek, of als handelaar aan de passar of in de dessa, daar had hij nooit ernstig aan gedacht. Als achtergrond van veilige zekerheid scheen daar in z’n toekomstdroomen te staan: de pastorie. Niet door nuchter overleg had hij de pastorie gaan beschouwen als een soort veiligstelling van z’n toekomst ook in het geldelijke; maar half-onbewust had z’n fantasie den pastoor, die z’n uitzicht op de eeuwige toekomst zooveel klaarder had gemaakt, ook uitgeteekend als de groote weldoener, die z’n leven vrijmaakte van zorgen in ieder opzicht.

Z’n gesprek met den pastoor was niet lang geweest: dringende bezigheden dwongen den laatste, kort te zijn. Voor Doel kwam het hierop neer: dat hij, inplaats van geld, een wijzen raad had gekregen. Z’n trouwplannen moest hij maar wat uitstellen en eerst zorgen, dat hij zelf werk had, onafhankelijk van z’n vader. Wat de pastoor nog meer had gezegd, waarom dat voor Doel zelf veel beter was, dat alles was hem ontgaan; daar had hij ook niet verder naar geluisterd.... Met een harde kop was hij thuis gekomen. Onderweg had hij telkens weer die woorden gehoord, waarmee de pastoor z’n verzoek had geweigerd... De pastoor, die wèl geld had om scholen te bouwen; wèl geld dus, om z’n jongere broers vooruit te helpen, had blijkbaar geen geld voor hem, die toch als oudste jongen meer rechten had

Sluiten