Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

je naar de spreekkamer gaan. De Pastoor wachtte in het kamertje naast de voorgalerij. Wat is er dan kind? En als een straal van een opengedraaide kraan, zoo ineens kwam ’t eruit; ~Pastoor ik zou graag Zuster worden, kan dat?”

„Natuurlijk, dat kan, als je roeping daartoe hebt. Waarom wou je Zuster worden?” „Weet ik niet.” „Heb je er al lang aan gedacht?” „Ja, pastoor, al lang, maar ik dacht, dat ik dat niet kon, maar onder de vacantie heb ik gehoord van P. X. dat meisjes als ik, ook Zuster konden worden, als ze ernstig wilden. O Pastoor, maar ik ben niet braaf geweest, ik heb zoo veel gebreken!” „Dat zal wel losloopen.” „Maar ik ben bezig mij te beteren.” „O zool en loop je daarom met zoo’n zondaressengezicht rond? Zie ik je daarom niet meer vroolijk?” „Ja Pastoor, ik wil mij beteren.”

„Ja, maar zóó niet kind! Als je altijd zoo vreeselijk ernstig doet dan zal O.L.H. denken, dat je het heelemaal niet graag doet en dan zal Hij zeggen: blijf dan maar thuis. Je moet je fouten beteren, maar alsjeblief vroolijk blijven.”

Dit bevrijdende woord miste zijn uitwerking niet. De blijde zekerheid dat ze, ondanks haar vermeende lichtzinnigheid toch Zuster kon worden en dat ze desondanks mocht lachen en vroolijk zijn als vroeger, ontspande dat gezicht. Ze had wel willen springen en schreeuwen.

„Zal ik er moeder over spreken?” „O ja Pastoor, doet u maar, ik durf niet.” „Waarom niet? Moeder zal o zoo blij zijn als ze later jou grappig gezicht in een nonnenkap ziet?”

„Zuster Veronica ook?” „Natuurlijk, waarom niet?” „Dat weet ik niet.” „Nu dan denk er goed over na? Weet je wel waartoe je je verplicht?” „Ja Pastoor.” „En weet je nog welke geloften die zusters doen?” „Ja, Pastoor, mlarat, wadad, mbangoen mitoeroet.” „Goed, maar als nu het volgend jaar uw ouders er op rekenen, dat gij geld voor hen gaat verdienen . of dat ze u willen laten trouwen?” „O neen. Pastoor dat doe ik niet! Mijn ouders zijn gedoopt, en over een paar jaar is mijn oudste broer goeroe.”

„Nu, je hebt den tijd nog; goed nadenken en vooral goed bidden, zul je dat doen?” „O ja. Pastoor.” „En dan vroolijk blijven.” „Dank u Pastoor” en zij weg.

Sluiten