is toegevoegd aan uw favorieten.

Geneeskundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, 1909, 01-01-1909

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk behoort in deze zelfde groep nog een proef, (serie 5) waarbij een viertal kippen met het vleesch, de lever en de maag van zieke kippen gevoed werd. Bij deze proef werd zoo veel mogelijk om den anderen dag, soms ook met wat langer tusschentijd, als er niet voldoende zieke kippen waren, zieke kip en gabba verstrekt.

Het kwam mij ongewenscht voor, om enkel kip te verstrekken, niet alleen omdat het zeer lastig is altijd zieke kippen te hebben, als men niet over zeer groote ruimte beschikt, maar hoofdzakelijk omdat, wanneer kippen, met uitsluitend vleesch, lever en maag van zieke kippen gevoerd de ziekte kregen, hier nog een tweede verklaring mogelijk zou zijn, en dus de proef niet bewijzend zou wezen. Men zou zich dan immers het optreden van de neuritis ook zoo kunnen verklaren, dat de zieke kip al de voor het zenuwstelsel noodige voedingsstoffen heeft verbruikt en er nu zelfs in zijn spieren een deficit aan die stoffen is. Werd echter ook gabba gegeven, dan waren die stoffen in het voedsel wel aanwezig, en zou men dus het ziek worden eerder aan toxinen of aan infectie mogen toeschrijven.

De kippen in deze serie werden echter geen van alle ziek; wel zag ik één keer, toen een paar dagen achtereen zieke kip gegeven was, een lichte diarrhoe optreden, doch daar dit verschijnsel zich ook wel eens heeft voorgedaan bij kippen, die met ander vleesch gevoed werden, meen ik hieraan geen andere beteekenis te moeten hechten, dan dat kippen van nature niet voor uitsluitend vleeschdieet zijn aangewezen, en dus die ongewone voeding minder goed verdragen wordt.

Eindelijk werd van de methode der complementbinding gebruik gemaakt, om te zien, in hoeverre deze feiten aan het licht zou brengen, die op eene infectie wijzen. Over deze onderzoekingen, die ik in vereeniging met Dr. de Haan verrichtte, zal in eene afzonderlijke mededeeling bericht worden ')• Ik wil er hier slechts van vermelden, dat in

i) dr. jt de Haan en Dr. G. Grijns. Over het ontbreken van