is toegevoegd aan uw favorieten.

Geneeskundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, 1910, 01-01-1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M3 sterker werden geagglutineerd dan DWZ, een volkomen overeenkomst dus met de overige Tabel. En hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor X4 en CB8, die door dit sterker serum ook wel in hooger verdunning werden geagglutineerd, doch zeer duidelijk minder dan de andere stammen.

Stam X was weder geheel negatief, evenals de twee voor controle onderzochte-stammen: coli en typhus.

De agglutinatieresultaten, neergelegd in de Tabellen V en VI, hebben dus de identiteit der geïsoleerde dysenteriestammen nog nauwkeuriger vastgesteld en hen ontwijfelbaar als dysenteriestammen doen kennen. Men zou mij kunnen tegenwerpen, dat ik het konijn geïmmuniseerd heb met een ook hier geïsoleerden stam, een tegenwerping, die nog een argument zou kunnen putten uit de houding van CB8. Daartegenover kan ik stellen de houding van DE (van Batavia), de cultuureigenschappen der stammen en de overeenkomst der stammen in hunne agglutinatie. Zij zijn toch zeker éénzelfde organisme en nemen wij nog in aanmerking, dat zij gekweekt werden uit de faeces van lijders aan dysenterie, (Bl10 uit een mesenteriaalklier), dan kan aan de identiteit niet getwijfeld worden.

In dezen vormt DW een uitzondering. Volgens het agglutinatieresultaat met een specifiek dysenterieserum zou dit organisme ook een echte dysenteriebacil zijn. In zijn cultuureigenschappen voldoet hij daar echter niet aan, wijkt in elk geval van de andere stammen af. Saccharose, maltose, dextrine en lactose worden alleen door hem gesplitst.

Splitste hij manniet ook, dan zouden wij hem kunnen onderbrengen in de laatste der vijf groepen van Shiga '). Nu valt hij buiten elk dier groepen, daar zij alle manniet moeten splitsen en dan elke volgende groep een suiker meer.

') Shiga. Typen der Dysenteriebazillen. Zeitschr. f. Hyg. u. Infect. Bd IX s. 75. gecit. n. Grijns. G. T. v. N. I. Deel XLIX blz. 212.