is toegevoegd aan uw favorieten.

Geneeskundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, 1913, 01-01-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinigen uitgezonderd, oin dienst bij de Compagnie te nemen".

De controle op de uitgezondenen was in het moederland niet streng Misbruiken waren niet buitengesloten. In een rapport over het Binnen-Hospitaal te Batavia, gedateerd 12 September 1768, geeft de med. doet. S. C. Kriel als zijn gevoelen te kennen, dat „listige en baatzuchtige personen „in het vaderland lieden voor den dienst aanwerven, die „om verschillende redenen buiten staat zijn om de verinoeie„nissen van het zeeleven te doorstaan". Het moreel van deze lieden stom! ook niet hoog. „Die Niedertrachtigkeit „und schlechte Denkungsart dieser Menschen ist kauin zu „beschreiben", schreef de sympathieke, geestelijken moreel mijlen boven hen slaande von Wurmb in October 1774 van het meerendeel zijner reisgenoofen, met wie hij aan boord van de „Overhoud" van Texel uit de reis over Kaap de Goede Hoop naar Batavia zou ondernemen.

Toch heeft Stavorinus de geschiedenis der feiten miskend door deze omstandigheid in het midden van de 18de eeuw als een nieuwen factor in het geding te brengen.

Reeds in 1619, in Coen's tijd, bestond de bemanning der Oost-Indievaarders meerendeels uit ruw en ordeloos volk, losbollen, deels zoons van voorname en rijke lieden, die betere dagen gekend hadden '). Klachten bleven ook toen niet uit. CoeN verklaarde, dat het met de vrije lieden aldoor slecht ging, ook als de lijfeigenen, gevangenen en Chineezen van de groote sterfte weinig of niet te lijden hadden. Onder de „tot versterking" nieuw aa gekomenen waren jongens, die met hun tienen niet tegen één kloeken Javaan bestand waren.

„Wat goeds is er te wachten van het schuim van alle „volken?", schreef Coen zelf omstr. 1622. 2) „Vrij zijnde

Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge: „De opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost ludië". Den Haax, 1862-1876. Deel II, blz. 188.

s) Uit Dr. C. Swaving s: „Ter gedachtenis van Jacobus Bontius M. D"; Batavia, 1868, blz. 56.