is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor wetenschappelijke pharmacie, jrg 3, 1861, 1861

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin de lucht sterk geozoniserd is, wordt het acidum gallicum spoedig geel, maar niet bruin gekleurd, wordt spoedig vochtig, sterk zuur , kleurloos en verdwijnt eindelijk volkomen. Eer zulks geschiedt, ontstaan er witte kristalletjes van acidum oxalicum. De oxyden van het zilver enz. ontleden het opgeloste zuur minstens even gemakkelijk als het acidum tannicum en natuurlijk eveneens onder vorming van bruin gekleurde zelfstandigheden. Even als het looizuur kan ook het galnotenzuur langen tijd met het waterstofsuperoxyde in aanraking bestaan, zonder merkelijk ontleed te worden, waaruit volgt, dat (?) ook tegenover dit zuur scheikundig indifferent is. 50 gram oplossing van galnotenzuur van 1 pCt. zuurgehalte met 1 gram sodaloog en O zoo lang zaamgeschud zijnde , dat er geen gas meer opgenomen wordt, levert eene vloeistof , welke met SOs aangezuurd zijnde, zich juist zoo verhoudt als de op – gelijke wijze behandelde oplossing van looizuur ; zij kleurt bij aanwezigheid van opgeiost acidum chromicum de ether blaauw, ontkleurt de oplossing van permanganas kalicus onder ontwikkeling van gewone zuurstof enz. Dit deze daadzaken volgt, dat besproken zuren in hunne betrekking tot zuurstof eene groote overeenstemming met elkander vertoonen. De neutrale even als de positief-active zuurstof is scheikundig indifferent tegen over hen, terwijl de negatief-active zuurstof ze zelfs iu hunnen vasten toestand door oxydatie ontleedt. O werkt slechts bij aanwezigheid van water oxyderend op de zuren en onder vorming van H02 , welke werking door de tegenwoordigheid van alcalische zelfstandigheden beduidend versterkt wordt. Door deze proeven wordt alzoo eene verrassende verklaring geleverd over de langzame, schijnbaar door de neutrale zuurstof onder medewerking des waters bewerkstelligde oxydatie der organische stoffen in het algemeen , maar ook over het belangrijk proces der verrotting, en zij levert tevens de bevestiging van het vroeger door den schrijver uitgesproken vermoeden,

82