is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 1, 1864-1865, no 17, 21-08-1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ha erlangde opgaven van de zamenstelling en bereiding, i en na onderzoek van deskundigen, magtiging hebbe ver- t leend. Het onderzoek kan herhaald en de magtiging, ïoodra van verandering inde zamenstelling of van mis- i bruik blijkt, ingetrokken worden. '

Art. 9. De vergiften, aan te wijzen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken na eene commissie van ' deskundigen te hebben gehoord, worden in eene of meer gesloten kasten bewaard. De sleutel daarvan berust bij den apotheker of den i hulpapotheker. De vergiften, inde Nederlandsche pharmacopoea niet opgenoemd, welke de apotheker voorhanden heeft, worden in dezelfde kast of kasten bewaard. Art. 10. De apotheker levert op recept geene geneesmiddelen af, dan naauwkeurig volgens het recept en van deugdelijke bestanddeelen bereid. Yermoedt hij ineen recept eene welligt schadelijke vergissing , dan geeft hij daarvan terstond mondeling of schriftelijk kennis aan den geneeskundige, die het voorschreef. Is deze afwezig , dan stelt hij de aflevering uit, met onmiddellijke kennisgeving daarvan aan dien genees- Art il. De apotheker mag geene geneesmiddelen afleveren dan op recept of die met bepaalde aanduiding van het verlangd geneesmiddel gevraagd worden. Art. 12. De apotheker mag bij de aankondiging dat een geneesmiddel bij hem verkrijgbaar is, en bij het afleveren daarvan, geene aanwijzing voegen van den ziekelijken toestand, tot genezing waarvan het geneesmiddel j geacht wordt te dienen, of gebruikt wordt. Art. 13. De apotheker zorgt, dat aan of op elk voorwerp , waarin hij een geneesmiddel op recept aflevert, een papier gehecht zij, waarop de naam van den zieke staat, of, des verlangd, een cijfer tot vervanging daarvan , de bepaald omschreven wijze van gebruik , de dag der aflevering en zijn naam. Hij is verpligt het voorwerp, waarin hij het geneesmiddel aflevert j behoorlijk te verzegelen. Deze verpligting is op den apotheker, uitsluitend voor instellingen van ziekenzorge of voor andere gestichten van liefdadigheid werkzaam, niet toepasselijk. De opschriften, inde Iste zinsnede bedoeld, worden bij geneesmiddelen tot inwendig gebruik op ongekleurd, bij die tot uitwendig gebruik op blaauw papier gesteld. Art. 14. De apothekers liasseren de hun aangeboden en bereide recepten naar volgorde der bereiding, en bewaren die aldus gedurende twintig jaren. Bij overgang van de apotheek op eenen anderen apotheker gaan ook de recepten op dezen over; bij opheffing der apotheek worden zij door de naaste belanghebbenden aan den inspecteur overgegeven. Art. 15. Zij mogen de recepten aan niemand ter inzage noch afschrift daarvan geven, dan aan den geneeskundige die ze voorschreef, of die den zieke behandelt, aan dezen zelf, en aan de regterlijke of geneeskundige ' ambtenaren , met het onderzoek van die recepten belast. Zij geven een naauwkeurig , onderteekend afschrift van die recepten, wanneer dit door bovengenoemden gevraagd wordt. Art. 16. De apothekers leveren geene vergiftige zelfstandigheden af, dan op het voorschrift van eenen geneeskundige, of aan apothekers, aan geneeskundigen tot het leveren van geneesmiddelen bevoegd, aan veeartsen, of op schriftelijke en onderteekende aanvraag, met opgave van het doel waartoe de vergiftige zelfstandigheden dienen moeten, aan andere, doch bij hen bekende personen. De vergiftige zelfstandigheid, niet dooreen geneeskundige voorgeschreven, wordt afgeleverd ineen behoorlijk

gesloten voorwerp, waarop, nevens den naam, het woord vergif duidelijk staat uitgedrukt. Art. 17. De apothekers schrijven zonder uitstel ineen register elke aflevering van vergiften, met vermelding van den dag waarop , en van den persoon aan wieu de aflevering is gedaan. Deze bepaling is niet toepasselijk op de afleveringen op voorschrift van eenen geneeskundige. Zij liasseren dein het vorig artikel bedoelde schriftelijke aanvragen, afgescheiden van de voorschriften der geneeskundigen, en bewaren die gedurende twintigjaren. Art. 18. Het is den apotheker verboden, met eenen geneeskundige, regtstreeks of zijdelings, eenige overeenkomst betreffende het leveren van geneesmiddelen aan te gaan. Art. 19. De apotheker geeft aan de geneeskundige ambtenaren en de commissiën uit den geneeskundigen raad alle door hen, tot handhaving der geneeskundige wetten en verordeningen met betrekking tot zijne apotheek, gevraagde inlichtingen. Art. 20. De apotheker geeft, wanneer het dooreen der in art. 15 genoemde personen verlangd wordt, eene gespecificeerde rekening der geleverde geneesmiddelen. Art. 21, Den apotheker kan vergund worden de apotheek vaneen afwezigen, zieken of overleden apotheker tijdelijk te gelijk met de zijne waar te nemen. De daartoe noodige schriftelijke vergunning van den inspecteur, die beoordeelt of daarvoor voldoende reden bestaat, moet alle drie maanden op nieuw worden aangevraagd. Met gelijke, doch jaarlijks«te vernieuwen vergunning , mag hij tevens de apotheek vaneen gesticht van liefdadigheid , waarin geen apotheker is , waarnemen. ! Hij is alsdan verantwoordelijk voor hetgeen in die apotheken aanwezig is, en voor de bereiding der geneesmiddelen. Art. 22. De apotheek van eenen afwezigen, zieken, of overleden apotheker mag waargenomen worden door eenen niet gevestigden apotheker, nadat het bewijs zijner bevoegdheid door den inspecteur zal geviseerd zijn. De waarnemende apotheker is verantwoordelijk voor hetgeen inde apotheek aanwezig is , en voor de bereiding der geneesmiddelen. Art. 23. Wanneer bij overlijden van eenen apotheker niet voorzien is inde waarneming van de apotheek, wordt de sleutel der vergiftkast binnen 24 uren door de erfgenamen of den bewindvoerder, of bij ontstentenis van dezen door de huisgenooten , ter hand gesteld aan den burgemeester der gemeente. Zoodra iemand met de waarneming is belast, wordt dezen de sleutel ter hand gesteld. Art. 24. Ten aanzien van de geneeskundigen, bevoegd tot het afleveren van geneesmiddelen, gelden de artt. 5 alinea 2,7 tot en met 10 ,13 tot en met 17 , 19 tot en met 23, 27 , 28 , 29 , 34 , 35 en 36. § 3. Van de hulpapothekers en de leerlingen-apotheleers. Art. 25. De hulpapotheker en de leerling-apotheker i mogen alleen onder toezigt van eenen apotheker en Ivan eenen geneeskundige, bevoegd tot het leveren van geneesmiddelen , in eene apotheek werkzaam zijn. De hulpapotheker moet het bewijs zijner bevoegdheid laten viseren door den inspecteur. Wanneer een hulpapotheker of een leerling-apotheker i in eene apotheek aangenomen of daaruit ontslagen is , , i geeft de apotheker of de geneeskundige daarvan terstond I kennis aan den inspecteur. , ' Art. 26. De hulpapotheker en de leerling-apotheker | zijn aansprakelijk voor de door hen begane overtredingen j dezer wet. Evenwel blijft de apotheker of geneeskun■ 1 dige ook in die gevallen verantwoordelijk voor hetgeen : 1 in zijne apotheek tegen deze wet geschiedt , zoo eenige