Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij in aanmerking nemen, dat de artsenijbereider door den wetgever overal gewantrouwd wordt, en aan strenge bepalingen van toezigt en straf is onderworpen. Art. 13. De bovengenoemde examens, uitgezonderd die voor leerling-apotheker en vroedvrouw, worden tweemaal' s j aars afgenomen door Rij kscommissiè'n Wij meenen bescheidenlijk dat, waar de Wet, door het afnemen van examens, de vrije uitoefening vaneen beroep zij het dan ook te regt beperkt, zij tevens zoo veel mogelijk de gelegenheid moet openstellen tot het afleggen van dit examen en dat dus de bepaling, waarbij deze gelegenheid tot Smaal ’sjaars beperkt wordt, niet gebillijkt kan worden.

Ontwerp van Wet 111. Art, 3. Alleen de geneeskundige mag binnen de grenzen zijtier bevoegdheid in het openbaar een geneesmiddel aanbevelen In overeenstemming met het gevoelen der Nederlandsche Maatschappij tot bevordering van Pharmacie, ineen harer vorige adressen uitgedrukt, meenen ook wij , dat deze bepaling eene aanleiding zal worden tot kwakzalverij, omdat de aanbeveling vaneen geneesmiddel, tot het publiek gerigt, nutteloos moet geacht worden, daar het publiek met den aard der ziekte, waartegen het geneesmiddel wordt aanbevolen, onbekend is, terwijl toch den geneeskundige voor zulk eene aanbeveling in het belang der wetenschap daarvoor bestemde organen ten dienste staan. Art. 9. De geneeskundigen, die zich vestigen in plaatsen, in welke geen apotheker gevestigd is, hebben , zoo lang zij daar gevestigd blijven, de bevoegdheid tot het afleveren van geneesmiddelen Deze bepaling schijnt tot gevolg te kunnen hebben, dat onder zekere omstandigheden de thans bestaande afkeurenswaardige toestand der receptuur ten platten lande noodeloos zal worden verlengd. O. i. zou het wenschelijk zijn, hierbij eene of andere bepaling in te lasschen , waardoor de vestiging vaneen apotheker in zulke plaatsen in dien toestand verandering kunne brengen. De billijkheid eischt toch, dat waar de uitoefening vaneen beroep aan de eene zijde beperkt wordt door de wet, het monopolie aan den anderen kant zooveel mogelijk worde gewaarborgd. Art. 12. Indien zij (de artsen) vermoeden dat een voor hunne lijders bestemd geneesmiddel niet deugdelijk is, zenden zij hel middel, zoo als het verzegeld door den apotheker is afgeleverd, aan den inspecteur tot onderzoek. Wij zien niet in, waarom de apotheker bij het begaan van eene fout, verzuim of vergissing zoo geheel anders behandeld moet worden dan de geneeskundige. Beiden toch leggen eenen soortgelijken eed af, en beiden behoorden eigenlijk op dien eed vertrouwd te worden. Beschouwt men den eed niet als een voldoenden waarborg, dan doet men beter dien af te schaffen, om op die wijze de zedeloosheid niet inde hand te werken. Men kan echter de gevolgen vaneen mogelijk verzuim , nalatigheid of vergissing willen voorkomen, en daartoe zou de bepaling in het hier besproken artikel kunnen dienen. Tegen dergelijk verzuim van de zijde van den geneeskundige wordt door de tweede alinea van art. 10, Wetsontwerp IV, op voldoende en tevens humane wijze gewaakt; deze alinea luidt aldus : Vermoedt hij (de apotheker) ineen recept eene welligt schadelijke vergissing, dan geeft hij daarvan terstond mondeling of schriftelijk kennis aan den geneeskundige , die het voorschreef Wij achten het hoogst wenschelijk dat art. 12 in dezen geest gewijzigd worde, niet zoo zeer uit vrees voor de gevolgen, die deze bepaling zou kunnen hebben , maar omdat zij niet zal en niet kan nagekoraen worden. Immers is het duidelijk dat de geneeskundige den weg, dien de wet hem voorschrijft, in verreweg de meeste gevallen niet zal inslaan : 10. omdat hij den apotheker daardoor de strenge en o. i. niet billijke straf, bij de wet bepaald, zonder genade op den hals zou laden, 20. omdat hij het vertrouwen van het publiek daardoor noodeloos zou schokken, en 30. omdat zijne kennis der geneesmiddelen en van derzelver werking op elkander niet in ieder geval toereikend kan zijn, om hem zekerheid omtrent het verzuim te geven, zonder welke zekerheid ' hij zich niet opzettelijk aan eene overijlde beschuldiging zal wagen. Het resultaat zal dus zijn, dat de arts zal doen, wat wij wenschten, dat de < wet hem voorschreef. j Art. 20. Met gevangenisstraf. . en geldboeten., worden gestraft degenen, 1 die, zonder daartoe bevoegd te zijn, geneeskunst., uitoefenen.. . i Indien de schuldige apotheker of hulp-apolheker of leerling-apotheker is , kan ( hem tevens de uitoefening van zijn beroep voor den tijd van èén tot zes maanden £ worden verboden. Tegen deze alinea voeren wij hetzelfde bezwaar als tegen art. 12. Den t apotheker, die de geneeskunst uitoefent, kan de uitoefening van zijn r beroep verboden worden, d.i. men kan hem zedelijk dwingen zijn bes

' roeP op te geven. Den geneeskundige daarentegen, die de artsenij bei reidkunst onwettig uitoefent, wordt krachtens art. 35 van het Wetsontwerp IV slechts eene geldboete opgelegd. Ontwerp van Wet IV.

Art. 2. Alleen de bevoegde tot uitoefening der artsenijbereidkunst mag in j| het openbaar aankondigen, dat een geneesmiddel hij hem of bij anderen ver- I krijgbawr is. Wij stemmen ten opzigte van dit artikel geheel overeen met het groot I aantal dergenen , die hunne stem hiertegen verhieven, omdat hierdoor een verderfelijk gebruik, het aankondigen van geneesmiddelen door den apotheker, zijdelings wordt aangemoedigd. Art. 4. De apotheker mag niet meer dan ééne apotheek hebben. Hij oefent zijn beroep niet anders uit dan ineen uitsluitend daartoe be~ • stemd . . gedeelte vaneen huis Beide bepalingen zijn naar onze bescheidene meening geheel overbodig. De apotheker toch blijft verantwoordelijk voor hetgeen in zijne apotheek gebeurt: heeft hij dus meer dan ééne apotheek, dan is hij voor meer dan ééne verantwoordelijk. ïndien het nu onmogelijk is meer dan ééne apotheek behoorlijk waar te nemen, dan zal dit bij inspectie spoedig blijken, en de apotheker gestraft worden. Zoo ook met het locaal waarin hij de apotheek houdt: wanneer de werkzaamheden, die behalve de receptuur daar verrigt worden, aan de receptuur schaden, dan zal dit blijken, en de apotheker gestraft worden. De Wet kan o. i. alleen hare eischen stellen, maar behoort een ieder vrij te laten inde keuze der middelen, waarmede hij aan die eischen zal voldoen. Kiest men het verkeerde middel, of verzuimt men een noodzakelijken maatregel van voorzorg, dan is de Wet daar om hem voor de gevolgen te straffen. De Wet behoeft niet vooraf den weg te wijzen, dien men tot het bereiken van haar doel hebbe te volgen, vooral dan niet, wanneer niet a priori is uitgemaakt, dat die weg de eenige goede is, maar wanneer zoo als in het onderhoorige geval die weg al naar * den aard der omstandigheden verschillend zijn kan. Art. 5. Eene Commissie uit den geneeskundigen raad beoordeelt of van elk genees- i middel eene genoegzame hoeveelheid voorhanden zij. Bij verschil van meening met den apotheker of met den geneeskundige, die : apotheek houdt, beslist de inspecteur. Noch de Commissie noch de inspecteur zijn o. i. bevoegd om in alle omstandigheden hierover te oordeelen. Door dit voorschrift miskent men den invloed van locale omstandigheden, en verzwakt men den ijver en de naauwlettendheid van den apotheker, die zeer wel in staat j is zelf te bepalen, welke hoeveelheid hij voorhanden moet hebben. Art. 7. Bij geneesmiddelen, inde pharmacopoea niet vermeld, wijst het opschrift I aan naar welk voorschrift zij bereid zijn Voor eene doeltreffende visitatie der apotheken schijnt dit voorschrift j onnoodig meestal zal de waarheid van het opschrift niet aan de ( eigenschappen van het geneesmiddel kunnen getoetst worden. Deze bewering is met een aantal voorbeelden te staven, en zal door geen deskundige ontkend worden. Art. 9. Het inde Memorie van Beantwoording ter verdediging van dit artikel, betreffende het bewaren van vergiften, aangevoerde heeft onze zienswijze niet kunnen veranderen en volharden wij dus bij de bedenking in ons vorig adres aangegeven 1). 1) De Memorie van beantwoording op art. 9 luidt omtrent het bewaren der vergiften : «De strekking van dit artikel is, dat de vergiften niet, zooals de «overige geneesmiddelen, vrij inden winkel geplaatst, maar, tijdens zij «niet in handen zijn ten behoeve der receptuur, in gesloten kasten be»waard worden.” De bedenking van adressanten ineen vorig adres op dit artikel was de volgende: De bepalingen van alinea len 3 van dit artikel zijn, hoe uitstekend ook in abstract© beschouwd, inde toepassing niet uitvoerbaar, waaneer daarbij niet eene duidelijke omschrijving van het begrip vergif wordt gegeven. Het is echter te vreezen, dat zulk eene omschrijving niet aan het vereischte van volmaakte duidelijkheid zal kunnen voldoen, j. derwijze, dat daardoor alle twijfel wordt opgeheven, en dat zij , zo o al daaraan voldoende, de nakoming der bepaling inde 3de alinea vervat, geheel onmogelijk zal maken. Een groot aantal geneesmiddelen toch, hetzij die inde Nederlandsche apotheek vermeld zijn, hetzij niet, moeten, en een nog grooter aantal kunnen als vergiften worden beschouwd. Daaronder zijn er velen, die den Apotheker ieder oogenblik

Sluiten