is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 1, 1864-1865, no 41, 05-02-1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het curare. De verkregene resultaten zijn echter niet be■ | slissend genoeg, om aan het curare tegenovergestelde eigenschappen van het strychnine te verzekeren, eigenschappen, die het geschikt zouden maken om tetanische toevallen te bestrijden. Reveil heeft het curare met goed gevolg zien aanwenden ineen geval van hydrophobie bij een kind van 15 jaren. 5 Milligram (/s a T'T grein) curare werden in 3 keeren ingespoten. Het voorschrift der injectie was:

; curare 50 milligram (| grein). aq. destill. 35 gram (6| drachm.j. 50 Centigram of 10 droppels dezer oplossing bevatten j 1 milligram a grein) curare. Men doet de injecties telkens met 10 droppels en herhaalt ze naar de hevigheid der toevallen. Men kan tegelijkertijd inwendig 1 milligram curare geven. Thiercelin heeft het curare aangewend tegen epilepsie; de dosis was 3 a 5 centigram (‘- a J grein) per dag aangebragt op de etterende wond eener spaansohe vlieg. Een Italiaansch geneesheer, Gualla, vermeldt de genezing van spasma van het aangezigt door curare. Het zieke deel werd behandeld met pluksel, bevochtigd met eene oplossing van 10 centigram (1.) grein) curare m 80 gram (2( onoe) water, terwijl men tegelijkertijd inooulaties aanwendde met eene qaald inde oplossing gedompeld. De laatste onderzoekingen van Follin en Gentrac hebben de therapeutische waarde van het curare zeer doen betwijfelen. De verschillende resultaten, met het cuiare verkregen, zijn misschien toe te schrijven aan variaties in zijne zamenstelling. Mijnheer de Redacteur ! Botanici ex professo hebben wel eens beweerd, dat hunne lievelingswetensohap stiefmoederlijk behandeld wordt door hen, die om de eene of andere reden zich tot hare beoefening genoodzaakt zien. Dat Nederland’s Flora over het algemeen niet beter behandeld wordt dan de Plantkunde qua wetenschap , blijkt uit de Geneeskundige Courant van Zondag 33 Januarij 1.1. De Eedactie geeft haar leedwezen te kennen, dat Galium palustre voor een Apotheker, wien zij naar die plant vroeg, een vreemdeling was even als voor twee zijner collega’s. Het is geen compliment, Mijnheer de Eedacteur , dat de geëerde Eedactie Uwen ambtsbroeders maakt, vooral als zij er bij voegt: „dat de bewuste plant zoo mild op onzen eigen bodem groeit.” Het is daarom, dat zij van Galium palustre eene nadere beschrijving of liever eene scheeve voorstelling zal geven , waartoe het volgend citaat uit het Eépertoire général de pharmacle pratique van Dorvault goedwillig zijne diensten leent: „Gallium (Galium ?) luteum. Plante commune dans les prés secs et sur la lisière des bois , reconnaissable a ses tiges frêles, couchées, a ses fleurs jaunea, tres petites, nombreuses et odorantes. Le Galium Molluyo (Mollugo?) jouit des mêmes propriétés. Re quelles propriétés ? Re tiges frêles, couchées, . de fleurs jannes etc. ? Ainsi le Galium

palustre et le Galium rigidum , qui seraient en outre, dit-on , d’excellents antiépileptiques.” De bron, waaruit de Eedactie der Geneeskundige Courant de beschrijving put van de plant, „die zoo mild op onzen eigen bodem groeit" geeft vier verschillende soorten of individu's op, welke verschillende namen dragen, en toch dezelfde kenmerken hebben. „II (Galium Mollugo) jouit des mêmes propriétés’’ kan toch niet slaan op antiëpileptische of andere geneeskrachtige eigenschappen, die vermeld worden, nadat van G. palustre en rigidum is gewag gemaakt? Had de Eedactie het uitstekend werk van den Hoogleeraar Oudemans „de Flora van Nederland” geraadpleegd, de beloofde beschrijving van de eigenlijke plant in quaestie {Galium palustre) zou niet achterwege gebleven zijn; in dat boek worden ook de verschillende species niet door elkander gehaspeld. De Heer Oudemans geeft op , dat de Galium-soorten behooren tot de familie der Stellatae (Tetrandria-Monogynia) en kruidachtige planten zijn met vierkante stengels, met bladen, die tot 4-, ö- of 8-tallige kransen vereenigd zijn, en met witte of gele bloemen, die tot driegaffelige bijsohermen of pluimen of tot bundels bij elkander staan. De kelkzoom is meest niet te zien en de 4-slippige bloemkroonpheeft eene stervormige gedaante. Eindelijk zijnde vruchten droog en verdeelen zich in twee geslotene kluisjes. Galium palustre. Moeras Walstroo. Bloemen wit, stengel ruw met naar onder gerigte stekels bezet. Bladen tot 4-tallige kransen vereenigd. Vrachtjes glad. Galium Mollugo. Zacht Walstroo. Bloemen wit. Stengel regtopstaand of opstijgend. Bladen meestal smal, omgekeerd- eirond, aan beide zijden even groen, I—3 duim lang (tot 8-tallige kransen vereenigd). Galium verum (luteum). Echt Walstroo. Bloemen geel. Bladen tot 6-, 8-, 10- of IStallige kransen vereenigd , lijnvormig , door de rijke bloernpluimen verre overtroffen. (Bloemstelen onbehaard , ten laatste wijd uitgespreid. Vruchtjes glad). Galium Aparine. Bloemen wit. Bladen langs hun rand met, naar achter gerigte stekeltjes bezet. Vruchtstelen regtopstaande gekromd. Volgens den Heer Oudemans zijn van de 11 aan ons Vaderland eigene soorten dezer plant, de meest voorkomende : G. Mollugo, Aparine, palustre, verum, uliginosum en saxatile terwijl de meer zeldzame zijn : Galium cruciatum, tricorne, anglicum en boreale. Galium verum heb ik dikwijls gevonden op de zoogenaamde Uiterwaarden langs den Zuidelijken Waaloever , G. palustre niet zelden inde omstreken van Amsterdam. De opname dezer regelen in uw geacht blad zal mij aangenaam zijn. —• • Uw dienstw. dienaar Th. Inde omstreken van Nijmegen worden G. Mollugo, Aparine , verum , cruciatum , in overvloed gevonden ; ook Galium palustre , saxatile, uliginosum , boreale behoore» aldaar tehuis. e^-