Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij bij het invoeren dezer wet hadden, doch zijn aan debepahngen dezer wet, zoover die daarmede niet in strijd zijn , onderworpen. ..Vergunning tot afwijking van art. 4, alin. 2 , betreffende de inrigting der bij de invoering dezer wet bestaande apotheken, kan door den inspecteur, op advies van den geneeskundigen raad, worden verleend.”

De heer Luyben. Ik wensch een woord te zeggen over de thans bestaande winkelbedienden en leerlingen van apothekers. Ik geloof, dat deze overgangsbepaling met betrekking tot die personen eene voorziening zal belmoren te bevatten. Zij worden , volgens de tegenwoordige verordeningen, volkomen met elkander gelijk gesteld. ïn die personen vindt de apotheker tot dusverre zijne eenige wettige hulp. Streng zijn daaromtrent echter de verpligtingen niet. Die winkelbedienden en leerlingen moeten , om hunne qualiteit te verkrijgen , bij de commissie van geneeskundig toevoorzigt slechts worden erkend en ingeschreven. En niet alleen vinden de apothekers in die personen hunne wettige, maar ook, zoo als bekendis, hunne bijna eenige feitelijke hulp. Die winkelbedienden of leerlingen vinden in hun beroep veelal hun eenig middel van bestaan. Derhalve indien zij nu hun tegenwoordig beroep niet kunnen blijven uitoefenen , dan zal er na de invoering van deze wet èn voor hen èn voor de apothekers groote ongelegenheid ontstaan. Volgens de blijvende bepalingen nu (ik noem ze blijvende in tegenstelling van de transitoirè) der wetten, die wij in deze dagen behandeld hebben, zal de apotheker voortaan zijne wettige hulp slechts kunnen vinden in de leerling-apothekers en de hulp-apothekers, die de bij deze wetten voorgeschreven examens hebben afgelegd. Als dus de blijvende bepalingen van deze wet zijn ingevoerd, zullen de tegenwoordige winkelbedienden en leerlingen der apothekers , indien er ten hunnen aanzien geen maatregel van overgang wordt genomen , hun beroep niet meer kunnen uitoefenen en de apothekers van hen geen meerdere diensten kunnen hebben dan van gewone knechts. Het gevolg daarvan zal zijn dat èn de apothekers eene hulp zullen missen die zij noodzakelijk behoeven, èn dat een aantal personen hunne middelen van bestaan zullen verliezen. Ik herhaal dat die hulp voor den apotheker noodzakelijk is, daar hij bij afwezigheid en ziekte vervangen moet kunnen worden en ook niet altijd zelfde geneesmiddelen kan bereiden. Ik geloof dus dat het noodig is zoo te bepalen, dat de tegenwoordige winkelbedienden en leerlingen van apothekers , ook na de invoering van het tegenwoordige ontwerp als wet, hun beroep kunnen blijven uitoefenen; en naar aanleiding daarvan heb ik de eer als amendement voor te stellen , in het artikel de volgende bepaling als 2de lid in te voegen: «zij die uiterlijk vier maanden vóór het invoeren dezer wet als winkelbedienden of leerlingen van apothekers bij de commissie van geneeskundig toevoorzigt, waarbij het behoort, zijn erkend en ingeschreven en als zoodanig in eene apotheek zijn aangenomen, hebben de bevoegdheid, die bij deze wet en de andere wetten, regelende het geneeskundig staatstoezigt, aan de hulpapothekers en leerlingen-apothekers is toegekend.” Ik geef thans nog eenige inlichtingen met betrekking lot de redactie van het amendement. Ik hqb daarin geschreven ; «winkelbedienden of leerlingen van apothekers”, ómdat deze bij de tegenwoordige verordeningen volkomen worden gelijk gesteld en aan dezelfde voorwaarden worden onderworpen om hunne bevoegdheid te erlangen. Ik heb gezegd dat, ten einde het voorregt van deze bepaling te kunnen genieten , zij moeten zijn erkend en ingeschreven bij de commissie van geneeskundig toevoorzigt vwaarbij het behoort”, omdat die inschrijving tegenwoordig bij tweeërlei commissie geschiedt, te weten , daar waar eene plaatselijke commissie bestaat bij die commissie, en waar dieniet bestaat bij de provinciale commissie. Ik heb vervolgens als voorwaarde tot verkrijging van bet voorregt van het amendement gesteld, dat zij ook zullen zijn aangenomen in eene apotheek, omdat, als zij daar niet zijn aangenomen, de reden waarom ik dit amendement voorstelde dat is voor den winkelbediende ot leerling dat hij zijn bestaan niet verlieze , en voor den apotheker dat hij niet van hulp beroofd worde ophoudt. Ik spreek in het algemeen van wetten regelende het geneeskundig staatstoezigt, omdat de bevoegdheden der toekomstige leerlingen-apothe-

. kers en hulp-apothekers geregeld worden inde tweede , de derde en in deze wet. Ik stel eindelijk de tegenwoordige winkelbedienden en leerlingen van apothekers gelijk met de toekomstige hulp-apothekers en leerling-apothekers, omdat volgens de ontwerpen , in deze dagen behandeld ,de hulp-apothekers en de leerlingen van apothekers volmaakt dezelfde bevoegdheden hebben, met eene uitzondering slechts, die van kleine beduidenis is, te weten: dat de apotheker inde verpligting, dat hij het huis, waarin hij zijn winkel heeft, bewoue, wel dooreen hulpapotheker maar niet dooreen leerling-apotheker kan vervangen worden. Tot toelichting van het amendement nog een enkel woord , dat ik daar aanstonds vergat. Ik stel slechts voor aan den bedoelden persoon de bevoegdheid te geven , die deze wet aan den hulp-apotheker en leerling-apotheker toekent. Ik stel echter niet voor aan winkelbedienden en leerlingen van apothekers , die thans bestaan , een radicaal toe te kennen; ik wensch hun niet vrij te stellen vaneen deel der examens, die gevorderd worden om ingevolge de tegenwoordige wet apotheker te worden; zij blijven ook bij aanneming van amendement onderworpen aan de drie examens bedoeld inde artt. 7,8 en 9 van het tweede ontwerp; zij zullen om apotheker te worden moeten alleggen het voorbereidend examen van den leerling-apotheker, het natuurkundig examen van den hulp-apotheker en eindelijk het examen van den apotheker. De strekking van het amendement is dus alleen de personen, die thans als bedienden en leerlingen bij apothekers werkzaam zijn, de gelegenheid te geven daar werkzaam te blijven zoo als tol dusverre, maar zij verkrijgen daardoor voor de hoedanigheid van apotheker geen radicaal hoe ook genaamd. Art. 38 , thans luidende ; „Zij, die ui terlijk vier maanden vóór het invoeren dezer wet als apothekers of droogisten zijn toegelaten , behouden de bevoegdheid die zij bij het invoeren dezer wet hadden, doch zijn aan de bepalingen dezer wet, zoover die daarmede niet in strijd zijn, onderworpen. «Vergunning tot afwijking van art. 1, alin, 2, betreffende de inrigting der bij de invoering dezer wet bestaande apotheken , kan door den inspecteur, op ad/ies van den geneeskundigen raad, worden verleend. «Zij, die ui terlijk vier maanden vóór het invoeren dezer wet als winkelbedienden of leerlingen van apothekers bij de commissie van geneeskundig toevoorzigt, waarbij het behoort , zijn erkend en ingeschreven , en als zoodanig in eene apotheek zijn aangenonien , kunnen ! hunne tegenwoordige diensten inde apotheken blijven bewijzen wordt met 42 tegen 18 stemmen goedgekeurd. Tot zooverre de uittreksels uit de Kedevoeringen. Die van de Heereu Thorbecke en Idzerda ontbreken tot heden. IK verwijs verder naar do advertentie van den Heer H. C. A. Tllieme, die bij bekrachtiging door de Eerste Kamer de wetten op de uitoefening der geneeskunst zoo spoedig mogelijk onder mijn toezigt zal uitgeven. In deze uitgave zal bij elk artikel datgene uit de Redevoeringen worden aangevoerd , wat tot hun beter begiip | dienen kan. I Nijmegen. Snelpersdruk van H. C. A. Thieme.

Sluiten