is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 2, 1865-1866, no 5, 04-06-1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewogen. Aan de wieg der natuurwetenschappen staande heeft hij aan hare ontwikkeling een wezenlijk aandeel gehad; zijne voor zijn tijd waarlijk kostbare verzamelingen, voortreffelijke afbeeldingen en getrouwe beschrijvingen waren bronnen, waarvan Linnens en Buffon voor hunne werken een vlijtig gebruik hebben gemaakt.

Albert Seba werd den 12'*“' Mei 1665 te Etzel in het ambt Eriedeburg in Oost-Friesland geboren. Zijn vader was een weinig bemiddelde boer, die echter aan zijn zoon een voor dien tijd uitstekende opvoeding gaf, daar hij hem leerde schrijven en lezen, benevens de Latijn, sche taal. De „schoolmeester van Etzel”, een vroegere theoloog, had het geluk de voortreffelijke gave van den jeugdigen scholier op het gunstigst te ontwikkelen. Seba gevoelde eene bijzondere neiging tot de plantenwereld. Hij wijdde zich aan het pharmaceutische vak en bracht zijn leertijd inde Apotheek te Neustadt-Gödens door. Aldaar, zoowel als later te Amsterdam, waar hij als bediende werkzaam was, legde hij zich met den meesten ijver op de studie toe. Hij bleef echter niet lang te Amsterdam, maar zijn rustelooze ijver drong hem de wereld te bereizen. Het gelukte hem als apotheker op een schip in dienst der Handelmaatschappij geplaatst te worden en nu vond zijne onvermoeide werkzaamheid inde verste werelddeelen een uitgebreid veld van onderzoek. Rijk beladen met natuurproducten keerde hij naar Amsterdam terug, richtte aldaar zelf eene apotheek op en regelde zijne schatten tot een kabinet van naturaliën vaneen zeer rijken inhoud. Toen Czaar Peter de Groote omstreeks 17.16 te Amsterdam kwam , was Seba reeds een beroemd man. Peter zocht hem op en kocht van zijne verzamelingen aan, die nog heden met Seba’s portret inde Academie te Petersburg bewaard worden. Hij liet een uitgebreid kabinet van naturaliën achter, hetwelk in 1753 bij openbaren verkoop deelsgewijze door Europa verspreid is. Niet minder beroemd is zijn werk, over deze verzameling geschreven, hetwelk in 4 deeleu met meer dan 400 voortreifelijke platen inde jaren 1734—45 werd uitgegeven onder den titel: Looupletissimi Eerum Naturalium Thesauri accurata Descriptie et Iconibus artificiosissimis Expressie per nniversam Phisices Historiam etc. Seba was lid der Leopoldinisch-Karolini’sche Academie en van vele andere geleerde Genootschappen. Hij stierf den 34cn Mei 1736. VRAAG BI.T DE BEREIDING DER EXTRACTA NARCOTICA PEK ÉXPRESSIONEM PIIARAt. NEE RL. Naar wij van sommige collega’s vernamen, bestaat er verschil inde opvatting omtrent de hoeveelheid poeder, die voor de narcotische extracten onzer Pharmacopoea bij het ingedampte sap moet worden gevoegd, om het tot eene pillenmassa te brengen. Wij hebben onder de woorden; „donec cum tertia parte pulveris berbae adhi„bitae in massam pilularem cogi possit,” of volgens de Nederduitsche vertaling; „totdat het, onder bijvoeging „vaneen derde gedeelte poeder van het gebezigde kruid „tot een pillendceg kan gekneed worden,” altijd ver-

staan. dat men bijv. op 3 med. oneen ingedampt extract 1 med. onee poeder van liet kruid voegt. Andere collega’s meenen, dat de bedoeling der Pharmacopoea is een extract te verkrijgen, waarin op 3 deelen van het met poeder gereed gemaakt extract zich 1 deel poeder bevindt. Zij voegen daartoe bij het ingedampt extract de helft van zijn gewicht aan poeder; bijv. op de B oneen ingedampt extract 1| once poeder van het kruid, waardoor 4* oneen extract ontstaan, die I*. once dus i j aan poeder bevatten. Dewijl dit verschil in berei| dingswijze van wezenlijken invloed is op de sterkte der narcotische extracten, wenschten wij van onze collega’s te vernemen, welke lezing der Pharmacopoea naar hunne zienswijze de ware is, om tot uniformiteit bij de bereiding te geraken ? MEDEDEELING VAN ï. TE A. Onderzoek van schellak op vervalschinff. Het aanzienlijk verbruik van schellak heeft inden laatsten tijd eene vervalsching van dit artikel met colophonium, dennehars enz. ten gevolge gehad. Het hoofdbestaeddeel van schellak is eene in. sterken wijngeest oplosbare soort van hars, waarvan het beste schellak 84 pCt. bevat, terwijl de overige bestanddeelen bestaan uit eene wasachtige stof, eene kleurstof en eenige in alkohol oplosbare verbindingen. Volgens A. Oberdorfer kan de zuiverheid van schellak op de volgende wijze onderzocht worden ; I°. Wanneer men poeder van zuiver schellak met watervrijen aether overgiet , daarin 24 uren lang- laat staan, de vloeistof daarna helder afschenki en aan de lucht verdampt, blij ft er 5 pet. van eene wasachtige zelfstandigheid achter; bovengenoemde in wijngeest oplosbare hars wordt daarentegen niet door aether opgenomen. Daarentegen lost colophonium bijna volkomen in 10—13 deelen aether op; zoodat wanneer van schellak het onopgelost gedeelte 80 pet. bedraagt, terwijl er 30 pet. inden aether overgaat, men na aftrek van ongeveer 7 pet. voor het in aether oplosbare deel van het schellak 13 pet. vreemde bestanddeelen overhoudt, die daarin niet behooreu. 20. Door het schellak fijn te maken en met de BOvoudige hoeveelheid bijtende ammonia 3—4 uren lang, onder herhaald omschudden, zacht te verwarmen. Van zuiver schellak lost hierdoor alleen kleurstof op; is er colophonium in, dan wordt ook dit opgenomen. Wordt het vocht van het onopgeloste helder afgegoten en met verdund azijnzuur veronzijdigd, dan blijft het vocht helder, inclien liet schellak zuiver geweest is. Daarentegen slaan er kaasachtige vlokken neder, wanneer het schellak met colophonium of dennehaTs vermengd was. ï. Uittreksels uit binnen- en huitenl. tijdschriften. De werkzame bestanddeelen der bladen en wortelen van Helleborus niger en H. viridis. Volgens Penille en Capron is de werkzame stof der Heileborëen inde vette olie begre-