is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 2, 1865-1866, no 7, 18-06-1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Phannaceutisch Weekblad

VOOB NEBERI.AND. ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen.

Het Pharmaceutisch Weekblad wordt eiken Zaturdag uitgegeven hij den Boekhandelaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per jaargang, franco per post, ƒ4.50. Alle stukken , welke neen in dit Blad wenscht opge nomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur, onmiddellijk of onder couvert van den Uitgever, uiterlijk vóór Woensdag te Amsterdam of vóór Donderdag te Nijmegen. Prijs der advertentiën: Van 1 tot 6 Regels ƒ1.—, elke regel meer 15 Cts., behalve het zegelrecht.

3 |

ZOXOACi, IS Juni 1865.

W. 7.

fte beraadslaging over de geneeskundige Wetten inde Eerste Kamer. Aan de Eerste Kamer waren niet minder dan 38 adressen (waaronder 9 a 10 van apothekers en drogisten) tegen en 10 adressen vóór de geneeskundige wetten gericht. De discussiën hebben geene nieuwe bijzonderheden van belang opgeleverd, vooral niet met betrekking tot het pharmaceutisehe vak. Ontwerp IV regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst is zelfs zonder slag of stoot doorgegaan , zonder cenige discussie aangenomen. In het ver slag der Bapporteurs waren echter de volgende bezwaren te berde gebracht. Als algemeene aanmerking gold, dat er bij het ontstaan van verschil met betrekking tot de declaratiën van apothekers geene autoriteit is aangewezen, om in dergelijke gevallen te beslissen , hetwelk van beteekenis geacht werd bij de uitsluitende bevoegdheid der apothekers tot uitoefening der artsenijbereidkunst. Daarop is door den Minister geantwoord, dat men zich bij het inwinnen vaneen advies voortaan tot het geneeskundig staatstoezicht zal kunnen wenden, even als zulks heden tot de provinciale commissiën geschiedt. Bij art. 8 Werd door zeer enkele leden de bepaling inde tweede zinsnede, —• dat de apotheker bij het vermoeden eener wellicht schadelijke vergissing ineen recept, daarvan terstond mondeling of schriftelijk kennis geeft aan den geneeskundige, die het voorschreef en bij zijne afwezigheid de aflevering uitstelt, met onmiddellijke kennisgeving daarvan uan dien geneeskundige bijna onuitvoerlijk en inde practijk zeer noodlottig geheeten. Men wenschte , dat, bij afwezigheid van den geneeskundige, die het recept voorschreef, delapotheker de bevoegdheid moest hebben , in geval van nood zich tot een anderen, meer nabij mjuden geneeskundige te wenden. Men meende, dat men derhalve in zoodanig geval eene uitzondering had moeten maken op art. 13, hetwelk verbiedt inzage en afschrift van e®n recept anders dan aan den geneeskundige, die het voorschreef, of die den zieke behandelt, aan dezen zelf, en aan rechterlijke of geneeskundige ambtenaren. De

Minister ziet het bezwaar van art. 8 inde practijk niet in , en herinnert dat de tegenwoordige instructie in dit opzicht nog meer bezwarend is, daar zij den apotheker gebiedt den geneeskundige „in persoon te gaan opzoeken,” terwijl zich volgens deskundigen in dit opzicht geene moeielijkheden van eenige beteekenis opdoen. Bij art. 30 gaven verscheidene leden te kennen, dat de drogisten , hoe dan ook, verkregen rechten hebben, waarop men niet moest terugkomen. Zij waren van gevoelen, dat de tegenwoordige drogisten den feitolijken toestand moesten behouden , die hun tot dusver is toegekend geworden. Zij gaven den wensch te kennen , dat de positie der drogisten met het oog op hunne belangen door de Regering zoude geregeld worden in dier voege , dat de hoeveelheid, die voor elk der door hen te verkoopen middelen zal worden bepaald, vooral niet te hoog zal worden gesteld ; en zij deden de vraag of de bestaande instructie voor drogisten van 31 Mei 1818 nog voortdurend van toepassing blijft op de tegenwoordige drogisten. In antwoord hierop deelt de Minister mede, dat het ook zijne meening is aan de tegenwoordige drogisten hun tegenwoordigen toestand te doen behouden. Daarom bepaalt art. 34, dat zij de bevoegdheid behouden, die zij bij het invoeren dezer wet hebben en aan de bepalingen dier wet alleen onderworpen zijn, voor zoover deze met die bevoegdheid niet in strijd zijn. Voor zoover de tegenwoordige drogisten aan hunne instructie een recht ontleenen, behouden zij dat recht. Voor het overige gelden de bepalingen van deze wet en is de instructie niet meer van toepassing. Eindelijk werd door eene afdeeling aangemerkt, dat men met leedwezen bij de strafbepaling miste de thans nog bestaande bevoegdheid tot bet sluiten van eene apotheek, waarin herhaalde overtreding van de gegeven voorschriften plaats heeft, waar tegen de Minister oj^puvrkt, dat hetgeen men zich met sluiting eener apothéet in enkele gevallen voorstelde, nu langs een anderen.weg zal te bereiken zijn. X ' . Bij de discussiën werd herhaalde malen door de Leden