is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 2, 1865-1866, no 12, 23-07-1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk door jeugdige nakomelingschap, wanneer zij inden winter en zomer niet gestoord worden.

Zoo bericht Hoffmann, dat hij inden laatsten herfst 1000 bloedzuigers inde kuip had, terwijl hij er na aftiek van alle verbruik in het hospitaal tegen Juni 3000 stuks vond. In het voorjaar geeft hij ze als voedsel eenmaal inde maand 4 a 5 levende kikvorschen ■ zoodra deze. m de kuip geworpen worden, zuigen hieraan onmiddellijk honderden van bloedzuigers. Het spreekt van zelf, dat men den volgenden dag de doode kikvorschen wegneemt, om het water niet te bederven. Ten gevolge dezer behandeling zijnde bloedzuigers gezond en zuigen goed. Gebruikte bloedzuigers moeten van de versche minstens eene maand afgezonderd worden gehouden, nadat men ze door uitdrukken goed van het ingezogen bloed bevrijd heeft. Dan kan men ze weder gebruiken, met uitzondering van die bloedzuigers, welke syphilitische lijders zijn aangewend en weggeworpen moeten worden. Blijkt het bewaren van bloedzuigers in het groot min der bezwaar op te leveren, groote zorg en vaak veelvul dig verlies veroorzaakt het bewaren van bloedzuigers ii die apotheken, alwaar zij niet tot den dagelykschen verkoop belmoren. Het gedurig ververschen van het water lever geen waarborg tegen sterfte op en is er eenmaal een doode gevallen, dan verspreidt zich de doodende ziekte weldra op een onrustbarende wijze onder de overige. Nog komt daarbij het nadeel, dat bloedzuigers, die eenigen tijd lang in flesch of pot bewaard zijn gebleven, zeer onwillig zijn bij het appliceeren. De handel in bloedzuigers in het klein is inde apotheken waarlijk maar al te dikwijls eene bron van schade. Verkieselijk zou het zijn, dat zich de apothekers eener plaats vereenigden en aan enkele de bewaring der bloedzuigers in het groot toevertrouwden, om zich tegen billijke vergoeding bij hen de benoodigde aan te schaffen. DE WET OP DE AETSENIJBEBEIDKUNDE EN DE MILITAIRE APOTHEKERS. »Hoc iüis narri, qui veritalem intelligunt.” Phaedri faLulae. «Dire hautement ce qu’on pense’, c’est agir." Aid. Onder de vele geschriften, die tegen de nieuwe wet j het licht zagen, waren er zonder twijfel eenige, die bij een bezadigden en kalmen toon gewichtige bezwaren tegen de wet aanvoerden. Ook, onzes inziens , ware de regeling van het hooger onderwijs wenschelijk geweest vóór de behandeling der geneeskundige wetten en wel daarom, omdat wij met sommige schrijvers de meening toegedaan waren , de artsenij beleidkunde tot het hooger onderwijs te brengen, gelijk dit in Duitschland °en Frankrijk bestaat. Men wenschte, dat de apothekers doctoren of minstens candidaten inde pharmacie zouden zijn, terwijl daarenboven het concentreeren der verschillende wetenschappen aan de academiën ook kracht en leven geeft. Daarom hadden sommigen als hoofdbeginsel

i Sesteld: hoogstens twee of drie academiën, geene clinische scholen en goedkooper maken van de lessen aan de universiteiten. Wij voor ons zouden, – zoo thans reeds een ideale toestand mogelijk geweest ware, gaarne gezien hebben , dat voor alle geneeskunstoefenaars de academische opleiding, als zijnde eeue veelzijdige en meer algemeene – verplichtend ware gemaakt. Bij een weinig nadenken over den bestaanden toestand echter, is men reeds spoedig overtuigd , dat inde practijk het vooralsnog niet mogelijk zou zijn. In ons land toch worden zelfs al zijnde collegies minder duur, te veel middelen voor de studeerenden vereischt; was de voorbereidende ontwikkeling der toekomstige apothekers veel te slecht; en is de artsenijbereidkundige practyk een te weinig materieel voordeel opleverend vak , dan dat een gunstig resultaat hiervan te verwachten zou zijn. Reeds het zoo groote aantal plattelands-geneeskundigen was het bewijs, dat men immer naar een hulp- of redmiddel heeft moeten uitzien, om een groot deel onzer bevolking niet geheel van geneeskundige hulp verstoken te laten. Ook het aantal artis pharmaceuticae doctores was in ons land steeds uiterst gering. Wat hebben we thans? En zal de thans bestaande bijna algemeen bekend onhoudbare en met onzen tijd geheel strijdige toestand van de artsenijbereidkundigen zoowel als van het staatstoezicht dooreen beteren worden vervangen? Wij gelooven, dat de onbevooroordeelde lezer der wet daarop goedkeurend zal antwoorden, ook al erkent hij met ons, dat de ideale toestand nog niet is bereikt en er veel te verbeteren nog overblijft. Het beste surrogaat °m dit woord hier te mogen bezigen. voor den academischen graad is een staats-examen, dat ieder zal kunnen doen. Vóór alles heeft men gezorgd, —en hierop komt ’t voornamelijk aan. dat men een voorbereidend examen heeft ingesteld, dat van den leerling- en hulpapotheker. Dit toch was ten eenenmale verbasterd bij de plaatselijke of provinciale commissiën, hoewel deze wel degelijk het recht hadden, den aspirant-apothekers-leerling een examen af te nemen, Op eene bespottelijke wijze werd hiermede geleefd en ieder rijp of groen werd ingeschreven bij deze of gene commissie. Ook het toezicht, dat ons wacht, zal minder bevooroordeeld en persoonlijk zijn, dan thans. Wij houden ons verzekerd, dat de tijd wel niet minder goeds zal opleveren, dan wij verwachten en men later veel zal kunnen opmerken wat billijker en beter kan heeten dan nu. lets anders is echter het geval met den aanstaanden militairen apotheker. Deze moet eerst staats-apotheker zijn, om zijn examen voor 3«= klasse te kunnen doen. Nu moet men om den graad van staats-apotheker te verkrijgen natuurlijk eerst de beide voorbereidende examens gedaan hebben, terwijl de militaire pharmaceut daarenboven zich voor iedere hoogere klasse aan een hooger examen moet onderwerpen. Alzoo zal hij om den rang van apotheker der le kl. te verkrijgen (behoudens de anciënniteit) zes examens gedaan moeten hebben.