is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 3, 1866-1867, no 4, 27-05-1866

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

: chlorium ontwikkeld wordt. Terwijl inde zoutloog, ■die inde retort terugbleef, chloorcaloium werd gevonden, leerde mij de ontleding van het te voren herhaalde malen omgekristalliseerde zout, dat het overgedestilleerde zuur wel veel overeenkomst heeft met, maar toch niet alle eigenschappen bezit van het azijnzuur. Sedenen, waarom ik den schrijver in bedenking geef of de schematische voorstelling:

Ca Cl + CaO, 010 + 3 (HO, C4 H3 03) =2CaO, C4 H3 03 + 3 HO + 3 Cl niet behoord gewijzigd te worden; en of hier niet veeleer te denken is aan eene substitutie van het azijnzuur door chloor. Tot zooverre de wederlegging. Het spijt mij , dat de schrijver, ten einde zich met critiek bezig te houden, de kwestie der desinfectie geheel heeft laten rusten. Het is toch in het algemeen belang , vooral in dezen tijd , dringend noodzakelijk, dat de waarde van den sulphas ferrosus niet als middel om de ontwikkeling van schadelijke gassen te voorkomen , maar als middel om de besmettende stof bij cholera onschadelijk te maken, werd bewezen ; opdat indien mijne bewering, dat het gebruik van chlorium alléén op aannemelijke gronden steunt, niet juist mocht zijn , de waarheid aan het licht kome, waarop de desinfecteerende werking van den sulphas ferrosus dau berust. Dordrecht 16 Mei 1866. H. .DESINFECTIE. In bovenstaande wederlegging wordt den steller van de kritiek der verklaring van de werking der desinfecteerende middelen verweten, dat hij de wezenlijke kwestie der desinfectie geheel op zijde laat. Deze kwestie is dan ook werkelijk niet zoo gemakkelijk op te lossen en maakt een voorwerp der overweging van de eerste geleerden uit. Wij vonden over dit onderwerp een allerbelangrijkst opstel in Buchner’s Repertorium No. 3 (1866) van de hand van Prof. v. Pettenkofer te Munchen. Het is te uitgebreid , om hier in zijn geheel te worden opgenomen, maar wij hebben het voornemen opgevat het afzonderlijk in onze taal uitte geven , en het reeds ter perse verzonden. Wij deelen hier een paar bijzonderheden er uit mede. Volgens Pettenkofer zal de cholera-infectie afkomstig zijn vaneen eigenaardig ferment, dat zich bij rotting der excrementen ontwikkelt. Deze gisting der excrementen kan echter niet plaats hebben als bij een aloalischen toestand, waarin zij weldra geraken. Alle middelen , welke de excrementen verhinderen alcalisoh te worden, heffen dus den gewonen gang der ontleding op. Metaalzouten, minerale zuren en carbolznur zijn in staat, urine en drekstoffen maanden lang voor de ammoniacale ontleding te bewaren, ze in zuren toestand te houden. Deze zal dus ook de voorname werking van het ijzervitriool zijn. Men zou even goed zwavelzuur of zoutzuur kunnen aanwenden , maar deze werken ontledend op muren en metalen en geven bovendien aanleiding tot ontwikkeling van veel koolzuur en zwavelwa-

, ! terstofgas. Het ijzervitriool beantwoordt daarentegen het , best aan het doel, omdat het de excrementen inden i zuren staat houdt en tevens het ontwikkelde zwavelwai terstofgas ontleedt; daarbij goedkoop en in groote hoeveel: heid te verkrijgen is. Ook het zwaveligzuur zou uiti muntende diensten verleenen , en het verbranden van ; zwavel is vooral aan te bevelen op plaatsen, die moeielijk te bereiken zijn. Aan het einde van zijn opstel geeft Pettenkofer opmerkingen omtrent de plaatsen , waar de desinfectie het meest moet worden toegepast, in verband met zijne zienswijze omtrent den invloed van den stand des grondwaters op de verspreiding der cholera. DECOCTUM SARSAPARILLAE. In plaats van het langdurige weeken, dat aanbevolen wordt, alvorens de sarsaparillewortels uitte koken, verdient de volgende methode alle aanbeveling. Men kneust de sarsaparillewortels ineen mortier of vijzel met kokend water tot een dikken brij. Hierbij laat de bast los en dooreen daarop volgend koken van omstreeks een uur zijn aan de sarsaparille zoo volkomen de werkzame bestanddeelen onttrokken , dat de rasura, die na het coleeren terug blijft, geheel smakeloos is geworden. EXTR. HELENII. De heer J. M. de Boer te Amsterdam zond op de vraag van den heer G. inde openlijke correspondentie van het vorige nommer, „hoedanig men Extr. helenii geheel vrij van Inuline kan verkrijgen” ; ten antwoord , dat hij zulks het best heeft kunnen bewerkstelligen, door het vocht. nadat het op de gewone wijze (bezinken en coleeren) van het vuil gezuiverd is , tot extract uit dampen. Vervolgens lost men het bekoelde extract wederom in koud water op, waarbij de inuline, die zich op het laatst der bewerking nog had afgezet en moeieljjk uit het verdikte vocht kon verwijderd worden , onopgelost terug blijft, waarna men het vocht wederom coleert en tot extractdikte uitdampt, In het verslag over den staat van ’s Rijks Herbarium te Leiden door den directeur dier inrichting, den heer P. A. W. Miquel, aan ZExc. den Minister van Binnenlandsche Zaken uitgebracht, lezen wij aan het slot: „Uit het aangevoerde kan men opmaken, dat onze instelling thans een levendig verkeer met andere soortgelijke musea onderhoudt, en niet alleen in omvang gestadig toeneemt, maar ook haar deel aanbrengt tot ontwikkeling der botanische wetenschap. Uit dien hoofde genoot zij dan ook de eer , in het voorjaar van 1865 , bij gelegenheid van het kruidkundig congres te Amsterdam, door de beroemdste kruidkundigen uit het buitenland te worden bezocht, waardoor tevens gelegenheid bestond, om onze relatiën uitte breiden. Zooals vroeger maakten ook onderscheidene Nederlandsche botanisten gebruik van de verzameling; andere verzochten voorwerpen voor hun onderwijs, vooral op de hoogere burgerscholen. Twee voor de militaire dienst in Indië bestemde pharmacenten werden door den minister van koloniën voor eenigen tijd bij de instelling gedetacheerd. Doubletten werden, Zoo-