is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 3, 1866-1867, no 37, 13-01-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pharm. toch zegt niet, hoeveel morphine het opium bevatten moet; indien het slechts mofphine, al is het dan slechts l pet. bevat, kan het nie afgekeurd worden, het zal dan nog aan alle eischen der Pharm. kunnen voldoen. De apotheker nu, die uit zulk opium zijn extract bereidt , zal bij eene opbrengst van 50 pet. extractum , om maar een rond cijfer te gebruiken (ik verkreeg 57 pet.) , misschien estr. opii verkrijgenmet)2 a 3 pet. morphine, terwijl een ander, die daartoe opium met l]o/o morphine gebruikt, een extract met 22°/o moiphine verkrijgt, zoodat bij den een 11 grein gelijkstaan met 1 grein bij een ander , terwijl 1 grein opium crudum bij den laatsten gelijk is aan 4 gr. extr. van den eersten. En dit is nog niet het grootste verschil; er zijn mij nog grootere bekend. Hetzelfde heeft natuurlijk ook plaats bij het Laudanum liquidum en bij alle andere praeparaten , waar extr. opii voorgeschreven is. Waar de pharmacopoea zulke groote verschillen toelaat, vind ik hel kleingeestig te praten over het gebruik van extr. opii of pulv. opii crud., daar bij den een soms het eerste minder alcaloïden kan bevatten dan het laatste. Zou het ook dringend noodig zijn, niet alleen voor de pharmaceuten , maar ook voor de artsen en de patiënten, dat de Fharm. Neerl. herzien werd? Het slechte opium, overal elders afgekeurd, zal meer en meer debiet vinden in Nederland. S. J-

ARROWROOT. Ten einde de deugdelijkheid van het, door den heer Nellensteijn voorgeslagen, proefvocht (15 grein hydras kalicus, 2 oneen gedestilleerd water en 75 greinen van de te onderzoekene stof) te beproeven , werd door mij genomen: 1 Arrowroot. 3 Stijfsel. 3 Aardappelmeel. 4 Witte sago. Arrowroot gaf eene witte vloeistof met eene groote neiging tot bezinken, zoodat na korten tijd de bovenstaande vloeistof bijna helder was ; ook na dagen lang staan kon men geen verandering aan haar bespeuren. Stijfsel gedroeg zich bijna als arrowroot met dit verschil , dat de vloeistof heel weinig neiging heeft om te bezinken, maar wit blijft en na dagen staan nog niet volkomen helder is. Aardappelmeel vormde bijna oogenblikkelijk eene dikke doorschijnende gelei, die ook na verscheidene dagen helder en dik blijft. Witte sago (geen paarlsago) vormt, niet direct, daar zij moeielijk tot een fijn poeder kan gemaakt worden, maar na eenige uren gestaan te hebben, eene dikke gelei, die echter niet doorschijnend is maar wit blijft. Het zoude nu wel goed zijn eens verschillende monsters arrowroot te onderzoeken. Naar de verkregene resultaten schijnt het proefvocht goed te zijn. Z. ■ w.

DE VEEMENGINGSMETHODBN. De heer G. J. v.d. B. te G. .. a zond ons onder datum van 31 Decb. over dit onderwerp een schrijven, waarin hij ons zijne bevreemding te kennen geeft, dat de uitkomsten zijner berekeningen zoozeer verschillen van die der heeren Sanders en Duffer Blom. Volgens zijne berekening toch zouden er omstreeks 55 kan water noodig zijn, om 100 kan spiritus van 30 graden te brengen tot 18 graden, en niet zooals de heer Sanders opgaf 40 kan , of volgens den heer Duffer Blom 39,6 kan. Van zijne berekeningen willen wijde eerste opgeven ; 10. Het is de vraag, hoeveel water of vloeistof van 1 spec. gew. noodig is om 100 kan spir. van 0,838 sp. gew. te brengen tot spir. van 0,889 sp. gew.? 100 kan X 0,838 = 83,8 x Xl, = * 100 +• x = 83,8 + X. Men heeft nu dus de vergelijking ; (100 +x) X 0,889 – 83,8 -f x. of (100 X 0,889) 4- (0)889 ») = 82>8 + x 88,9 = 83,8 4- x 0,889 x 83,8 = 83,8 4- °)111 x 6,1 kan = 0,111 x. ~komt x = 54,95(0 kin of bijna 55 kan. Wij wenschen de berekeningen van den heer v.d. B. niet verder te volgen, daar het uil deze eerste reeds duidelijk blijkt, dat zij op een geheel verkeerden grondslag gevestigd zijn, namelijk op het specifiek gewicht. Nu drukt soortelijk of specifiek gewicht wel de betrekking uit tusschen andere vochten en water als eenheid genomen, doch volstrekt niet, hoeveel alcohol daardoor wordt voorgesteld. Zulks doen ook niet de- graden van den vochtweger, tenzij men een zoodanigen bezigt, die van o—loo loopt en gegradueerd is door bij 99 deelen alcohol 1 deel water, bij 98 2, bij 97 3 deelen water te voegen enz. Dit zijnde volnmenprocenten, onder anderen door Prof. von Baumhauer bepaald en in schaal gebracht. Alleen door deze tot grondslag te nemen, kan men vooraf bepalen, hoeveel water noodig is tot zekere verdunning, hoeveel alcohol op spiritus van bijv. 25 of 30« bevat is, hoeveel alcohol door moutwijn kan worden geleverd, wat de prijs daarvan is enz. Spreekt men van graden, dan zoekt men eerst het specifiek gewicht en vervolgens de volumenprocenten, die tot de berekening zullen dienen. Indien men, zooals de heer v.d. B. zulks opgeeft, 54,95 kan of bijna 55 kan water bij 100 kan spiritus van 0,828 (30°) voegt, dan zal men geen spiritus van 18°, maar 155 kan van 13° verkrijgen. Immers, 100 kan' van 30° of 93 volumenprocenten, (dat wil zeggen ’ spiritus, waarvan op 100 deelen 93 deelen absoluten alcohol gevonden worden) 4-55 kan water zijn gelijk aan 155 kan vloeistof.’ '