Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is aan eiken geneeskundigen Eaad eene vaste som toegekend ter bestrijding van al zijne kosten , zoowel die voor‘de .vergoeding van reis- en verblijfkosten der leden ep plaatsvervangende leden, als voor vacatiegelden, kosten van ■de visitatie der apotheken, locaalhuur, drukwerk enz.

De toegekende som verschilde naar gelang van het aantal leden van den raad , van het aantal te visiteeren apotheken , van de plaatselijke gesteldheid enz. De algemeene rekenkamer rekent zich echter onbevoegd aan het koninklijke Besluit van 19 Jan. 1866 No. 59 , gevolg te geven en de daaruit voortvloeiende uitgaven te verevenen, omdat de Wet uitdrukkelijk aan de leden van den Eaad persoonlijk recht op vergoeding toekent , wanneer door hen , ter uitvoering der hun opgedragene verrichtingen, reizen zijn ondernomen of werkzaamheden gedaan. Eene toekenning van eene jaarlijksche som aan den Eaad in zijn geheel, onverschillig of er reis- en verblijfkosten en vacatiegelden zijn verdiend , acht de rekenkamer derhalve niet in overeenstemming met de wet. Daar inderdaad de letter der Wet (zegt de Minister van Binnenlandsche Zaken) voor die opvatting schijnt te pleiten en toch het toekennen van eene vaste som aan iederen Eaad boven vergoeding volgens tarief om bovengenoemde redenen en ook in het belang der schatkist de voorkeur verdient, heeft de Eegeering bij de Tweede Kamer een wetsontwerp ingediend, dat de strekking heeft om art. 24 der Wret van 1 Juni 1865 (geneeskundig staatstoezicht) te wijzigen inden geest van het koninklijk besluit van 19 Jan. 1866. Wij wagen het als ons gevoelen uitte brengen , dat wijde regeling inde wet bepaald beter achten dan de voorgestelde wijziging. Men is niet bij alle Geneeskundige raden uitgekomen met de som door de Eegeering ter dispositie gesteld. Er zijn er, waarbij een aanmerkelijk te kort is gebleven. De minister beweert , dat de door hem voorgestelde wijziging in het belang der schatkist de voorkeur verdient, maar waarop moet het voordeel gezocht worden ? Wij vreezen , dat de aard der werkzaamheden, bijv. de visitaties, daarbij schade kunnen lijden , of de gecommitteerden zullen zich veel tijdverlies tegen geringe vergoeding moeten getroosten , om te voldoen aan hun eed: „dat zij hunne betrekking naar be„hooren zullen waarnemen.” Onbekrompen moet onzes inziens het onbezoldigde staatsambt kunnen worden vervuld. Mogelijk misbruik zou bij het controleeren der ingeleverde declaraties genoegzaam openbaar worden. Raadgevingen tot een voordeellg gebruik van het lichtgas. De staat van het lichtgas inde huizen , waarover op zoovele plaatsen klachten worden aangeheven, al voldoen ook de fabrieken aan de vereischten om goed gas te leveren, hangt van den aard der drie hoofddeelen van de geleiding inde huizen af: I°. van de branders of gasbekkens, 2°. van de geleidingsbuizen of gaspijpen, 30. van den gasometer. De beste branders zijn die van porselein- of speksteen, ooral de laatete. De paetalen branders zijn niet zoo goed

ingericht en benadeelen de helderheid der vlam zeer door hunne spoedige oxy deer baar heid. Met betrekking tot de geleiding der buizen of pijpen lette men vooral daarop, dat de eerste aanvoerpijpen wijd genoeg zijn en ook dat bij de verdere vertakkingen die pijpen het wijdst zijn, welke leiden naar de vertrekken , welke men het meest verlicht wil hebben. Eene voorname hoofdzaak bij de gasgeleiding inde huizen is echter de plaatsing en vulling van den gasometer. De gasometer moet inde eerste plaats de noodige grootte hebben, minstens van l/3 tot 1/.2 van het getal, vlammen, waarvoor hij is aangewezen. Hij moet volkomen horizontaal gesteld zijn en wel op eene zoo koel mogelijke plaats, die voor het gevaar van stooten beschut en tevens toegankelijk is. De aanbeveling, om den gasometer zoo koel mogelijk te plaatsen, heeft een voornamen grond in het voordeel, dat het meten van het gas bij eene lagere temperatuur den consument aanbiedt, eene bijzonderheid, waarop nog weinig de aandacht is gevestigd. Volgens de wet van Gay-Lussac voor de uitzetting der gassen bedingen namelijk 2% graad Celsius verschil in warmte omstreeks 1 procent der dichtheid van het gas. Daar dus het gas zooveel te dichter is naar de mate der lagere temperatuur, zoo volgt bet van zelf, dat men op eene koelere plaats dichter gas heeft en dit veel voordeeliger meet dan op eene warme plaats,' omdat het gas inden gasometer niet naar zijne dichtheid, maar naar zijn volumen gemeten wordt. Men brandt dus veel voordeeliger gas, indien de gasometer op eene koele plaats staat. Eene vlam bijv,, die haar gas verkrijgt vanuit een gasometer, welke bij -j- 5 C. staat, zal bij meting inden gasometer gebleken zijn 6 pet. minder gas te hebben geconsumeerd, dan eene even groote vlam, waarvoor het gas aangevoerd wordt door een gasometer, die bij 20° C. staat. Zoo zal bij twee gasometers, waarvan de een aan een temperatuur van 5° 0.,. de ander aan eene temperatuur van -j- 25° C. is blootgesteld, bij een overigens gelijk getal vlammen, gelijke lichtsterkte enz. het aangewezen gasverbruik reeds omstreeks 12 percent verschillen. De vulling met water beantwoordt onvoldoende aan eene goede controle en aan eene onverhinderde en gelijkmatige doorstrooming van het gas. Het water toch is bij verhooging der temperatuur zeer geneigd tot verdampen, bij verlaging tot bevriezen. Staat nu de met water gevulde gasometer op eene warme plaats, dan zet zich het oondensatiewater van het gas af inde vaak engere pijpen, die door koudere ruimten zijn geleid, de vlam flikkert, het niveau daalt inden gasometer en het licht gaat geheel uit, indien niet bij tijds gezorgd wordt den meter aan te vullen. Minder bekend , maar even zeker is het nadeel, hetwelk de waterdampen , die bij te warm staande meters met het gas medegedreven worden , aan de helderheid der vlam veroorzaken. Om het gevaar te voorkomen , dat het water inden meter ’s winters bevriest, heeft men er wel wijngeest in gebruikt, maar dan wordt de verdamping zooveel te sterker en worden de opge-

Sluiten