is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 3, 1866-1867, no 51, 21-04-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan te wijzen die, naar mijn ervaring, meer dan alle vroegere wetten en besluiten veroorzaakt hebben en nog veroorzaken , dat de apotheker inde schatting van het publiek niet veel hooger aangeschreven staat dan een geëxamineerde kruidenier. Aan wien ligt de schuld ? Ik aarzel geen oogenblik den ouderen apothekers den handschoen toe te werpen ; had ooit Boude wijn zijn „Een apothekersbediende” zoo kunnen schrijven, wanneer hij daartoe geen levend model gehad had ? Maar laat ik liever den heer G. op den voet volgen, dan nu reeds mij dwang aan te doen om kalm te blijven.

Tot op heden kende ik de meening van Prof. Mulder, ter zake van het pharm. onderwijs, niet en ik geloof niet te stout te spreken, wanneer ik, in naam van mijn jongere collega’s, den heer G. dank toebreng voor het in een wijderen kring verspreiden vapi de uitspraak vaneen autoriteit als prof. M. Hierbij kan ik mij echter niet weêrhouden een enkele opmerking te maken. Ik zag zoo gaarne die woorden artsenijbereidkundige scheikunde, artsenijbereidkundige plantkunde , geroijeerd ; zij klinken mij steeds zoo onaangenaam inde ooren ; gelukkig kennen onze nieuwe wetten die fraaie onderdeeltjes van wetenschap niet. Moet ik het wettigen dat ik mij bij den S. voeg waarbij prof. M. voor de a. s apothekers een admissie-examen, als dat voor de studenten , hoort eisohen ? Moet de apotheker , dien men eindelijk par force majeure wetenschappelijk man zal maken , onbekend zijn met de langzame ontwikkeling van zijn wetenschap ? Mag hij Theophrastus . Dioseorides , Geber , van Helmont , Eobert Boyle ignoreeren , moet hij het antwoord schuldig blijven indien men hem naar de vraagt ? zal hij zich voor den medelijdenden glimlach van den verstandige beveiligd achten, wanneer hij blijft spreken van récipée, anatomia plantarum , flores anthos ? en is de liefelijke mythe aan den olijfboom of de myrrhe verbonden , niet ook voor hem bewaard? Voor het onderdeel van Prof. Ms. eisch „practische oefeningen in schei- en artsenijbereidkunde” , beroep ik mij op het oordeel van sommigen van mijne tijdgenooten, voor 5 jareu aan het chemisch laboratorium te Amsterdam) daarenboven, al wie ook maar een weinig den toestand der apotheken in Nederland nagegaan heeft en hunne decoratiëu van zoogenaamde papaverbollen en hunne annonces van onderscheidene arcana opmerkte, zal wel tot het besluit gekomen zijn dat bet daar de plaats niet is voor wetenschappelijke ontwikkeling. Ik hoop hier straks nog even op terug te komen. Ik kan mij echter niet met deu S. vereenigen waar hij argumenteert dat onze natuurhistorische wetenschappen tegenwoordig een dergelijke uitgebreidheid bezitten , dat een menschenleven niet voldoende is om in deze allen (toch zeker in eene dezer ?) een specialiteit te worden ; ook tegen den aanhef van de geheele alinea moet ik opkomen. Op de hooger onderwijswetten (en besluiten op het H. O. uitgevaardigd) moet inden letterlijken zin toegepast worden, wat als motto boven de voorrede geplaatst is; „Gelijk bij alle menschelijke instellingen zoo

Bladz. 3. werden (worden !) ook inde verordeningen op het hooger onderwijs allengs leemten en gebreken zigtbaar.” (1) Wie zal haar met een tweeden Alpheus afspoelen ? Zou ik mogen volstaan met Prof. Pruijs v.d. Hoeven te cite^ren-, om in zuivere woorden mijn af keer van het streven om een specialiteit te worden te kennen te geven ? „Al die specialiteiten doen den aard der ware studie miskennen en verduisteren het begrip der wetenschap. Bij velen is het vitam impendere famae hoofddoel hunner ijverigste pogingen. Zij moeten zich bekend maken en wel zoodra mogelijk. Nu wordt eeu klein studievak uitgekipt, dat zij bewerken en waarmede zij spoedig gereed zijn.” Eene specialiteit is ééne letter van het alphabet, zegt de oude heer Smits. Zoo ik mij niet bedrieg is reeds voor eenigejaren, toen te Amsterdam een school voor vroedvrouwen werd opgericht , door Prof. Oudemans de aandacht gevestigd op het noodige van het daarstellen vaneen afzonderlijke inrichting voor pharm. onderwijs ; was de brochure reeds ter perse toen het Eotterdamsohe stadsbestuur voorstellen aan de Eegeering deed , om de gewezen clinische school ineen pharm. school te herscheppen, onder stedelijke en landssubsidiën ? Ik zeg en vraag dit naar aanleiding van de opmerking bovenaan op pag. 11. Wat de S. van de hoogere burgerscholen zegt (pag. 12, 13, 14) kan ik in extenso niet goedkeuren, ofschoon het mij voorkomt dat Prof. Burgersdijk wel wat voorbarig met zijn schrijven geweest is; met volle overtuiging zoude ik toch het gezegde onderaan op pagina 13 op de 11. B. S. van Deventer toepassen. De volzinnen bovenaan op pag. 14 maken op mij den indruk alsof de S. zich hier op geen zuiver neutraal standpunt geplaatst heeft. Hoezeer ik den gedachtenloop , die aanleiding tot het hier geschrevene zal gegeven hebben , billijken kan , houde S. mij echter de opmerking ten goede, dat die woorden beter niet gedrukt waren. Met genoegen lees ik op pag, 19 dat de S. de apotheek nadeelig noemt voor de wetenschappelijke opleiding van den a.s. apotheker ; met genoegen , omdat dat gezegde ook mijne gedachten weergeeft. De heer Opwijrda komt hiertegen op en daarom geloof ik dat het niet overbodig is deze stelling eens uitte werken. Theoretisch beschouwd zal het een oningewijde ai zeer vreemd moeten voorkomen wanneer ik hier, op grond van mijn ervaring , de tot op heden door de meeste apothekers gevolgde methode van opleiding aan hunne leerlingen gegeven , niet alleen bepaald afkeur maar ook uadeelig noem. Wanneer een apotheker den jongen mensch voorgaat in kleingeestigheden , in bekrompen behande • ling van zaken, hoe kan het anders dan dat, wanneer de laatste een weinig vrij ontwikkeld is, dat hij, zeg ik, eene minachting voor de apotheek krijgt. Wanneer de apotheker zijn hoogste roeping stelt in het draaien van ronde pillen , wanneer hij zijn leerling er over onderhoudt hoe deze steeds zorg moet dragen dat de stoppen (1) Verzam. v. wetten en besluiten op het H. O. Utrecht C. van der Post 1840.