is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 4, 1867-1868, no 4, 26-05-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Phannacenlisch Weekblad

VOOR NEDERLAND. ONDEE REDACTIE VAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te lijmegen.

Het Pharmaceutisch Weekblad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhandelaar D. B. GENTEN te Amsterdam. Prijs per jaargang , franco per post, ƒ 4,50. Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur, onmiddellijk of onder couvert van den Uitgever uiterlijk vóór Woensdag te Amsterdam of vóór Donderdag te Nijmegen. Prijs der advertenliën: Van I lot 6 Regels f I.—, elke regel meer 15 Cis., behalve liet zegelrecht.

UT". 4L.

4Le Jaargang.

XOIVDAG, 36 Mei 1§67.

Herziening tier Pharmacopoea neerlandica. Bij besluit van 16 Mei jl. no. 89 , heeft Zijne Majesteit goedgevonden: 10. met wijziging van art. 1 van het Koninklijk besluit van 1 Mei jl. no. 77, aan de commissie, belast met de vervaardiging vaneen supplement op de Pharmacopoea Neerlandica en de Nederlandsche apotheek , de vervaardiging op te dragen van eene nieuwe Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche apotheek; 30. tot leden van voornoemde commissie te benoemen dr. 11. Fabius te Amsterdam en dr. J. J. Eomoet te Arnhem. Wij behoeven wel niet te zeggen met welk genoegen wij dit besluit inde Staats-Courant van 11. Zaturdag lazen. Zoo wordt dan onze en veler wensch vervuld en hopen wij een nieuwen pharmaceutischen codex te Verkrijgen , gezuiverd van de fouten van den vorigen en beantwoordende aan de tegenwoordige behoeften der pharmacie en eischen der wetenschap. De namen van de leden der commissie beloven een uitstekend werk, om eene waardige plaats in te nemen te midden der Pharmacopoeën van andere landen. Een paar pharmaeeutisehe bijzonderheden uit de vergadering (20 Mei) van den geneesk. raad voor Gelderland en Utrecht. 1. Mededeeling werd gedaan van den uitslag der handelingen over de gelijktijdige uitoefening der geneeskunst en artsenijbereidkunst door den heer E te Doesburgh (waar meer dan 1 apotheek is), hebbende genoemde heer bij de vroegere wetgeving verkregen een diploma als plattelands-heelmeester en een diploma als apotheker. (Zie over deze kwestie No. 51 en 5$ van den tweeden jaargang). Het openbaar ministerie had deze gelijktijdige uitoefening #niet vervolgbaar gesteld, omdat het ongetwijfeld vrijspraak door den rechter verwachtte. Eindelijk was het oordeel van den minister ingeroepen, die gemeend heeft, dat, waar bij de vroegere wetgeving

geen bepaald verbod gegeven is , in dit exceptioneele geval de gelijktijdige uitoefening der geneeskunst en artsenijbereidkuust niet kan worden tegengegaan. (In het eerst der boven aangehaalde nommers van het Weekblad hebben wij zulks ook als onze meening beleden). 3. Vergunning is verleend tot afwijking van al. 3 van art. 3 van Wet IV aan 3 apothekers. Er werd daarbij aan den eenen kant opgemerkt, dat het wel wenschelijk was indien de apothekers de vreemde elementen uit hunne apotheek verwijderden, maar dat het aan den anderen kant zaakwas voor het staatstoezicht vrijgevig te zijn met het verleenen der vergunning. In zeer vele apotheken toch heeft de afwijking plaats, zonder dat vergunning gevraagd wordt en niet altijd is die afwijking goed te contróleeren. (Wij voegen hierbij: Is men te scrupuleus met het verleenen der vergunning , dan zal de clandestine afwijking blijven. De apotheker toch, die vergunning vraagt, vestigt bepaaldelijk de aandacht op de inrichting zijner zaak. Maakt men den weg tot het verkrijgen der vergunning gemakkelijk , dan zullen de aanvragen door de betreffende personen toenemen en bij de inspecties kan door onderling overlegde inrichting zoodanig geregeld worden , dat de apotheker een handel, noodzakelijk voor zijn beslaan, blijft drijven, met het minste gevaar van schade aan de uitoefening der artsenijbereidkunst in hetzelfde lokaal). Nog werd er op gewezen, dat het staatstoezicht met betrekking tot den handel in verfwaren in lokalen, apotheken zijnde, daarvoor te waken had bij nieuw opgeriohte of op te richten apotheken. 3. De gecommitteerden tot de winkelvisitatiën zijn verzocht te letten op de toepassing van art. 13 , 14 en 31 van Wet IV ; tevens, dat zij, eene hervisitatie noodig achtende , nauwkeurig aanteekening houden van hetgeen bij de eerste visitatie door hen niet deugdelijk of niet aanwezig bevonden is. Eene dusdanige aanteekening is noodzakelijk voor gerechtelijke vervolging na onvoldoend bevinden bij hervisitatie.