is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 4, 1867-1868, no 28, 10-11-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pharmaceuüscli Weekblad

VOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen.

Het Pharmaceutisch Weekblad wordt eiken Zaterdag uitgegeven hij den Boekhandelaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per jaargang, franco per post, f 4,50. Alle stukken, welke men in dit Blad ivenschl opgenomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur, onmiddellijk of onder couvert vanden Uitgever uiterlijk vóór Woensdag te Amsterdam of vóór Donderdag te Nijmegen. Prijs der advertentiën: Van 1 lot 6 Regels / l.—, elke regel meer 15 Cts., behalve liet zegelrecht.

4e Jaargang. |

ZOMDAG, 1.0 lovember 186 ff.

M". 28.

Een Rotterdamsch vonnis. De Geneeskundige courant bevat in haar laatste nommer het vonnis, waarbij een apotheker te Botterdam (de heer van Santen Kolff), wegens overtreding van al. 2 van art. 6 der wet op de uitoefening der artsenijbereidkunst is veroordeeld tot ƒlO boete of één dag gevangenisstraf. Het feit is van algemeene bekendheid. De apotheker had in zijne apotheek voorhanden: biscuits Olivier, sirop au- i tigoutteus , pastilles ministres de Pajot en pastilles De- | than. De commissie, met de inspectie zijner apotheek belast, beschouwde deze middelen als geneesmiddelen,” waarbij niet voldaan was aan al. 2 van art. 6, namelijk dat de opschriften niet vermeldden, naar welke voorschriften zij bereid waren en maakte proces-verbaal op. De beklaagde voerde voor de rechtbank aan , dat hij tot tweemalen aan de fabrikanten dier middelen had geschréven, om .het voorschrift te verkrijgen, doch te vergeefs; hij meende desniettemin die geneesmiddelen ten verkoop te mogen voorhanden hebben, vermits, althans bij drie dier middelen, de haam van den fabrikant op het opschrift vermeld stond en daarmede het voorschrift tevens werd aangewezen en hij derhalve aan de wet begreep te voldoen. Al verder werd tot verdediging aangeveerd, dat in deze niet de bedoelde wet, maar het décret impérial concernant les remèdes séoretes van II Augustus 1810 geldende was, waarin van eene vermelding van het voorschrift geen sprake is. Onzes inziens overwoog de rechter met reden, dat al. 2 van art. 6 bij geneesmiddelen buiten de Pharm. Neerl. in eene apotheek voorhanden, wel degelijk verlangt de aanwijzing van het voorschrift op het opschrift en dat de naam vaneen fabrikant niet vol-, doende is; alsmede dat het bedoelde decreet hier niet toepasselijk is, al nam men aan dat het, als zijnde niet opzettelijk in art. 36 vermeld, nog geldende was, Dit decreet toch verlangde , dat de samenstelling der geheimmiddelen, na onderzoek dooreen raad van deskundigen, bij de Eegeering bekend was. Wij meenen echter gronden te hebben om te twijfelen

aan de juistheid der overweging van de Eechtbank, „dat uit de geschiedenis der wet zou blijken, alsof al. 2 van art. 6 toepasselijk is op de geheimmiddelen.” In art. 7 van het ontwerp (thans art. 6) bevond zich eene 3de alinea, luidende: „Geheime geneesmiddelen, „waarvan de verkoop volgens art. 8 (van het ontwerp) is „toegestaan, zijn hiervan (namelijk van het aanwijzen van „het voorschrift op het opschrift) buitengesloten.” De behandeling van dit art. 7 werd dus uitgesteld, totdat men over art. 8 van het ontwerp beslist had en toen dit art. 8, behelzende bepalingen omtrent den verkoop van geheimmiddelen, door de Kamer was verworpen, verviel natuurlijk ook de 3de alinea van art. 7 (thans 6). Nu meent de Eotterd. rechtbank, dat door het vervallen van art. 8 en van de 3dc alinea van art. 7, beide van het ontwerp, de bepaling van al. 2 van het tegenwoordige art. 6 „zoo algemeen mogelijk moet worden opgevat en „men van elk geneesmiddel, niet inde Nederl. phar„inacopoea vermeld, ook het voorschrift moet aanduiden.” Geleid door de geschiedenis der wet „en door feiten, die zich later- hebben voorgedaan, zijn wij tot eene geheel andere conclusie gekomen. Ons dunkt, dat de Tweede Kamer door het verwerpen van art. 8 van het ontwerp en het in verband daarmede doen vervallen van de 3de alinea van art. 7 van het ontwerp, getoond heeft de middelen, welke „geheime geneesmiddelen” doch veel beter „geheimmiddelen” genoemd worden, niet als wezenlijke geneesmiddelen maar als artikelen van den algemeenen handel te beschouwen, en hun verkoop dus niet onder de bepalingen dor geneeskundige wetten heeft willen plaatsen. In dien geest sprak ook de Minister van Pinantiën in eene missive aan de provinciale Directeurs dér directe belastingen, in- en uitgaande rechten en accijusen (dato 14 November 1866, zie Staats-Courant van 27 Nov. 1866), waarbij hij hun aanschrijft het navolgende ter algemeene kennis te brengen : „Onderscheidene der gebreveteerde geneesmiddelen zijn bij invoer in doosjes, flescbjes enz. te „beschouwen als kramerij, omdat zij niet alleen te ver-